Yuri Slezkin, auteur van de “The Jewish Century”: nationaal socialisme is een winnend concept.

0
625

De Joods-Russische auteur Yuri Slezkin stelt dat joden het beste waren aangepast aan de moderne tijd, door hun achtergrond als nomaden met internationale netwerken en hun gewiekste handelsgeest. Hierdoor konden zij, nadat eenmaal de opgelegde beperkingen voor joden wegvielen, al snel de bovenlaag bereiken van hun gastlanden. Het beloop van de twintigste eeuw (en daarna) is niet goed te begrijpen zonder de joodse invloed te betrekken. Een boekbespreking van “The Jewish Century”.

De titel van het bekroonde boek “The Jewish Century”, oftewel “De Joodse Eeuw” is niet bepaald een understatement. Dit werk laat zich beschrijven als de invloed van de Asjkenazische psyche op de wereldveranderende gebeurtenissen uit de moderne geschiedenis, met als startpunt de ineenstorting van het Pools-Litouwse rijk, waarna de joden (vanaf circa 1791) door rooms-katholieke legers verdreven werden naar de “Pale of Settlement”, het “Paalgebied”, geografisch gezien het westelijke gebied van het toenmalige Russische Rijk. De nadruk is echter op de twintigste eeuw, waar de titel ook naar verwijst. In de tekst op de achterflap wordt dit boek geduid als een meesterwerk van interpretatieve geschiedenis. Inderdaad bevat het werk een verhelderende leeservaring. Na het tot zich nemen van “The Jewisch Century” (TJC), krijgen lezers het idee dat de geschiedenis van de twintigste eeuw niet goed te begrijpen is zonder de joodse invloed op de grote wereldgebeurtenissen hierbij te betrekken. Deze inzichten willen wij niemand onthouden.

Aanvankelijk leidden de joden in het Paalgebied hun gebruikelijke bestaan, als sjacheraars, handelaars, drankstokers, verpachters, speculanten en souteneurs. Ze leefden kortom hun leven zoals volgens Slezkine gebruikelijk is voor een klasse mensen die hij aanduidt als “Mercuriërs”. Deze Mercuriërs zijn internationaal opererende nomaden, die diensten verlenen aan de bewoners van hun gastlanden, waarbij een zeker vernuft en gewiekstheid is vereist. De Mercuriërs staan tegenover de bewoners van het gastland, die Slezkine aanduidt als apollinisch, naar Apollo, de God van de ernst en schoonheid, de klasse mensen die het voedsel produceren. Apollinisch wordt volgens Slezkine gekenmerkt door hart en lichaam, mercuriaans door ratio en ziel (een geliefd onderscheid die joden maken: er zijn mensen die werken met hun handen en er zijn mensen die werken met hun hoofd). In de oudheid is volgens Slezkine de animositeit tussen beide typen stammen niet te verklaren uit onderling onbegrip, in tegenstelling tot de aangeleerde overtuiging van de liberaal opgevoede burger, maar juist omdat ze elkaar zo goed kenden en wisten wat ze van elkaar te verwachten hadden. Volgens Slezkine leefden de mercuriaanse clans of stammen vanzelfsprekend als vreemdelingen tussen de landbezittende en voedselproducerende Apolliniërs. Om het nimmer aflatende gevaar van assimilatie te keren implementeerden de Mercuriërs hun eigen reinheidsgebruiken, hielden er een afwijkende mengelmoes taal en minstens een tweede geheime taal op na. Met de mengelmoestaal kon min of meer met de plaatselijke Apolliniërs worden gecommuniceerd. De Mercuriërs ontwikkelden in dezelfde lijn hun religieuze rituelen als uitdrukking van hun wortelloze, maar op zichzelf gerichte bestaan. Sociale ommegang en zeker vermenging buiten de eigen clan werd door Mercuriërs gezien als een doodzonde. De wens was om van vreemde (dat wil zeggen, die van hun gastland) smetten vrij te blijven.

Slezkine beschrijft in het boek de invloed en het effect van modernisering op de traditionele mercuriaanse-apollinische wereld. De aanleg van een internationaal spoorwegennet, de urbanisering en de industrialisering transformeerde een aanzienlijk deel van de Apolliniërs in Mercuriërs, omdat hun gebondenheid aan een bepaald grondgebied voor een belangrijk deel verdween. Hun levensstijl veranderde in een zogenaamde moderne levensstijl. Volgens Slezkine werden joden doorgaans onlosmakelijke in relatie gebracht met (de sociale kant van) modernisering, omdat ze een leidende rol hadden bij de diverse programma’s. Slezkine geeft in het boek ook statistische onderbouwing om de overrepresentatie van joden in elitefuncties aan te tonen. De reden voor deze overrepresentatie is volgens Slezkine niet vreemd, omdat nazaten van de traditionele Mercuriërs van huis uit betere Mercuriërs zijn, zo kunnen zij gemakkelijker terugvallen op een al bestaand sociaal internationaal netwerk in een wortelloze wereld en makkelijker omdenken als de veranderde omstandigheden daar om vragen, dan nazaten van de traditionele Apolliniër.

De aanwezigheid van joden werd in Rusland aanvankelijk, zoals bij wet vastgesteld, alleen geduld binnen het paalgebied en nergens daarbuiten. Deze situatie veranderde evenwel met de modernisering van Rusland; het werd joden weer toegestaan om te studeren aan gymnasia en universiteiten. Voor de jonge joden uit het paalgebied bleek dit een uitkomst. In TJC staat dat ze smoorverliefd werden op de Russische taal. Hele passages uit werken van grote Russische schrijvers konden ze uit het hoofd citeren, vooral de dichter en schrijver Pushkin die voor een belangrijk deel de Russische cultuur en volksziel definieerde, was bij deze nieuwe generatie joden geliefd. Dit bracht binnen de sjtetls (joodse nederzettingen) in het paalgebied een verandering teweeg, die zich in samenhang met wat Slezkine “vadermoord” noemt, voltrok. Er ontstond een enorme generatiekloof tussen Russisch geschoolde jongeren die naar de grote steden in Rusland trokken en hun orthodoxe ouders in de sjtetl. De jongeren konden het uit rasperige klanken bestaande gebrabbel van hun eigen grootouders, die het lieten bij halfbakken zinnen, zelfs niet meer verstaan. Door grondige bestudering van en vereenzelviging met de Russische literatuur ontwikkelden de jongelingen die de sjtetl waren ontvlucht, zich tot betere Russen dan de Russen zelf. Ze konden zo gemakkelijk in wisselwerking treden met de Russische bovenlaag.

De moderne Russische jood verruilde de Talmoed voor “Das Kapital”, maar behield het vermogen om “goed en geschikt te kunnen verwoorden”. Zo kon volgens TJC de moderne jood een cruciale rol spelen in het organiseren en uitvoeren van de Russische communistische revolutie. Met een ongekende energie, bevlogenheid en jeugdig elan stortten de joden zich uiteindelijk als mensjewiek of bolsjewiek in de rode revolutie. In TJC wordt dit neergezet als vooral een streven naar een utopische samenleving, waarbij de mercuriaanse wortels de joden goed van pas kwamen, namelijk voor het maken van propaganda, het illegaal bemachtigen van allerlei voor de revolutie noodzakelijke middelen en het onderhouden en uitbreiden van geheime organisaties en netwerken. Deze revolutie dreef ten dele op nationalistische Russische sentimenten, want Pushkin werd overvloedig gebruikt om de juiste stemming en passie te bewerkstelligen bij de jonge revolutionairen. Ook om de meest gruwelijke, maar volgens de jongeren noodzakelijk acties uit te voeren (de revolutionaire Moloch), althans afgaande op de TJC. De joden waren dan ook oververtegenwoordigd bij de Tsjeka, de bolsjewistische geheime dienst. De Tsjeka was verantwoordelijk voor de deportaties en brute massamoorden op koelakken (Russische boeren en tevens landeigenaren) allemaal uit naam van het verbeteren van de wereld (de lezer kan hier een versie van Tikkun Olam in herkennen).

Joden hadden in de Sovjet Unie van voor de tweede wereldoorlog een vooraanstaand elitair leven. Er werden weliswaar ook joden geruimd tijdens de zuiveringen van Stalin, maar proportioneel gezien minder dan onder het niet-joodse deel van de bevolking. Verder werden ze geen strobreed in de weg gelegd, zo waren er geen restricties in het percentage joden in topposities in de overheid, pers, geneeskunde en farmacie. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dit. Het blijft gissen of Stalin zich zorgen maakte over de zichtbare antisemitische sentimenten die overduidelijk aanwezig waren in het westelijk deel van zijn Rijk en uitmonden in pogroms van de plaatselijke bevolking tegen joden, nadat de Europees-Duitse legers deze gebieden hadden veroverd (of bevrijd en heroverd vanuit het oogpunt van de plaatselijke bevolking) op de Sovjet Unie. Om te voorkomen dat het volk in brede zin zich niet tegen hem zou gaan keren kan het heel goed zijn dat om die reden het percentage joden binnen de genoemde sectoren werd gemaximeerd. Het bezoek van Golda Meïr in 1948, en de enthousiaste pro-Israël demonstratie van Sovjetjoden die hiermee samenhingen, zal Stalin wellicht ook hebben doen laten twijfelen aan de loyaliteit van de Sovjetjoden, wat van invloed kan zijn geweest op de gewraakte quota.

Na de Tweede Wereldoorlog was de Sovjet Unie voor joden niet meer de utopische samenleving van hun moeder of grootmoeder, waarin ze ongehinderd konden excelleren en omhoog drijven naar de bovenlaag van de bevolking. Joden werden opnieuw min of meer buitenstaander in de Sovjet Unie. Slezkine, die in de Sovjet Unie opgroeide, gaf in een interview aan dat het hem altijd heeft verbaasd dat joden die zo’n prominente en doorslaggevende rol hadden gespeeld bij de revolutie, daarna geassocieerd werden met anti-Sovjet sentimenten. Zijn onderzoek naar hoe dit tot stand was gekomen motiveerde hem tot het schrijven van TJC.

Intussen waren joodse immigranten druk doende om Israël, ditmaal als zongebruinde boer of krijger (in de buitenlucht en niet als bleke brildrager in de Sjoel, waar taalvaardigheid centraal staat), te laten verrijzen als een land van apollinische joden. Uiteraard met de nodige steun van de joodse gemeenschap in de Verenigde Staten, die zich daar inmiddels als mercuriërs omhoog hadden gewerkt. De zesdaagse oorlog was volgens Slezkine het moment waarop de joden wereldwijd als eenheid werden samengesmeed. Zowel in de Sovjet Unie als in de Verenigde Staten zaten joden gekluisterd aan de radio om het verloop van deze oorlog op de voet te volgen. De vreugde en blijdschap na de overwinning werd wereldwijd door joden uitbundig gevierd. Mede door toedoen van internationale joodse netwerken kon op de Sovjet regering voldoende druk worden uitgeoefend om massale emigratie van Sovjetjoden naar Israël mogelijk te maken.

Slezkine maakt de balans op van de Tweede Wereldoorlog: “De meest fundamentele wereldwijde transformatie ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog is dat een nieuwe absolute vorm van moraal het daglicht zag: de Nazi’s als universeel kwaad…” en “De holocaust werd de maatstaf voor alle misdaden, en antisemitisme werd de enige onvergeeflijke vorm van etnische bevooroordeeldheid (…afgezien van racisme dat een vergelijkbare status heeft, maar niet specifiek tribaal is)”. Zijn conclusie: “De Zionistische poging te ontsnappen aan vreemdelingschap, heeft geleid tot een nieuw soort vreemdelingschap. Van voorbeeldige mercuriërs tussen apolliniërs, werden Israëlische joden exemplarische apolliniërs tussen universele (westerse) mercuriërs.”

We kunnen zo nuchter constateren dat in de geschiedenis de nazaten van Germaanse en andere Indo-Europese stammen die de apollinische levensstijl van hun voorouders hebben voortgezet steeds verder zijn teruggedrongen, waarbij inmiddels gepoogd wordt om ze algeheel te vervangen. In de huidige tijd wordt op typisch mercuriaanse wijze er van alles aan gedaan om onze boeren, de Nederlandse über-Apolliniërs, te onteigenen en daarmee de meest blanke, de meest productieve klasse van mensen te vernietigen. De bewustwording onder de blanke Nederlander groeit echter gestaag en is vanaf een kritisch punt onstuitbaar. Nationalisme is volgens The Jewish Century niets anders dan het streven van Apolliniërs om de dreiging van volledige vormloze ontworteling in een gemoderniseerde wereld tegen te gaan. Een herleving van een vorm van breed gedragen nationalisme zal inderdaad de onontkoombare uitkomst zijn van de huidige ontwikkelingen, en onze enige redding. Dat zeggen wij niet alleen, ook Slezkine stelt dat de Nationaal Socialisten de Tweede Wereldoorlog hebben verloren, maar de oorlog van concepten hebben gewonnen. Hij heeft daarmee etnostaat Israël in gedachten, maar niets belet ons om dezelfde conclusie te trekken voor ons eigen land. De Nederlandse vlag op zijn kop gaat een blijvend symbool zijn van Apolliniërs die er genoeg van hebben en hun positie terugeisen. Een omwenteling is nodig om deze vlag weer recht te zetten.