Waarom het Westen dominant is

Het Westen is al sinds eeuwen de dominante kracht in de wereld. Aan welke kenmerken van de westerse cultuur hebben we dit danken? En heeft zij ook bedenkelijke kanten? De schrijver stelt dat multiculturalisme en zelfhaat de Westerse beschaving van begin af aan hebben begeleid.

 

Het doel van dit artikel is om de gedachtengang voort te zetten die begonnen is met Robert Henderson’s interessante en belangrijkwekkende artikel “Waarom zijn Aziaten niet dominant”, dat verscheen in een oktoberuitgave van American Rennaissance. Eerst zal ik het weinig bekende, maar uiterst belangrijke feit aantonen dat Europa in 1600 al verder ontwikkeld was dan China op het gebied van wetenschap, wiskunde en technologie en daarna zal ik de belangrijkste reden van de Westerse vooruitstrevendheid aankaarten.

Om dit eerste punt te illustreren, zal ik gebruik maken van wat naar alle waarschijnlijkheid de belangrijkste bron is om de verschillen in prestaties en cultuur tussen Europa en China aan te tonen, namelijke de dagboeken en verslagen van de Italiaanse Jezuïet en Missionaris Matteo Ricce, waarin hij schreef over zijn ervaringen in China van 1583 tot zijn dood in 1610. Een bewerkte versie werd gepubliceerd in 1615, een Engelse vertaling werd gepubliceerd in 1953 onder de titel ‘China in the 16th Century: The Journals of Matthew Ricci, 1583-1610.’ Toen men Ricci’s beschrijvingen met Chinese bronnen controleerde, bleek duidelijk dat de teksten accuraat waren. Sinologen zien hem als een onschatbare historische bron.

Matteo_Ricci_2
Matteo Ricci, Chinese tekening

Eén van de treffende aspecten van Ricci’s ervaringen in China was, dat waar hij ook kwam, hij de hoogste respectbetuigingen kreeg. Hij werd bijvoorbeeld zelfs uitgenodigd in de Verboden Stad van Peking. Dit is opmerkelijk te noemen omdat, zoals Ricci in zijn boek schreef: ‘De Chinezen zijn van mening dat alle vreemdelingen analfabeten en wilden zijn…. Zij minachten hen te veel om ook maar iets uit de boeken van buitenstaanders te leren, omdat ze van mening zijn dat alle ware wetenschap en kennis aan hen alleen toebehoort. Als ze toevallig te maken krijgen met allochtonen in hun eigen boeken, word het onderwerp zo behandeld dat ze er geen twijfel over laten bestaan dat ze maar weinig verschillen van de beesten van veld en bos. Zelfs de schrifttekens die ze gebruiken om buitenlanders te beschrijven, zijn degenen die ook gebruikt worden voor dieren. (pagina 88-9). Hij voegt er aan toe: ‘De Chinezen zijn zo zelfingenomen dat zij weigeren om te geloven dat er een dag zal komen dat ze iets van de vreemdelingen zullen leren dat niet opgeschreven staat in hun eigen boeken.’ (pagina 142)

Niettemin werd Ricci behandeld met het hoogste respect. De reden was dat Chinese ambtenaren, geleerden en gewone mensen met ontzag werden getroffen, toen hij demonstraties gaf van Europese geografische en astronomische kennis, theoretische en toegepaste wiskunde en technologie.

Waar Ricci ook ging, wekten zijn kaarten en wereldbollen verbazing op. In Nanjing had de president van de magistraten “veel plezier in de studie” van de wereldkaart, en “verwonderde zich dat hij de grote oppervlakte van de aarde op zo’n klein object kon zien” (pagina 301-2) In Peking liet de keizer op panelen van zijde twaalf kopieën maken van de wereldkaart die Ricci had getekend (zie de abeelding boven dit artikel), zodat hij ze aan zijn zoons en andere familieleden kon geven (pagina 536). Deze kaarten veroorzaakten zoveel opwinding, zo schrijft hij, omdat voor zijn aankomst de Chinezen nog nooit een geografische uitlegging van de oppervlakte van de aarde gezien hadden, noch in de vorm van een wereldbol noch afgebeeld op het vlakke oppervlakte van een kaart. Ook hadden ze nog nooit de oppervlakte van de Aarde verdeeld gezien in meridianen, evenwijdige of graden (pagina 326)

‘De Chinezen… zijn in hoge mate onwetend over hoe de wereld in elkaar steekt… Hun universum was niet groter dan hun eigen provincies en de zee er om heen geschilderd, en herbergde een aantal kleine eilanden die ze arbitrair de naam hadden gegeven van koninkrijken waar ze van gehoord hadden. Al deze kleine eilanden wanneer ze bij elkaar geplaatst werden waren niet groter dan de kleinste Chinese provincie.’ (pagina 166-7) ‘Hiervoor, dachten ze dat… de Aarde plat was. Ze wisten niet dat de hele oppervlakte van de aarde bewoond was of dat mensen aan de andere kant van de Aarde konden leven zonder er van af te vallen!’ (pagina 325)

De Chinezen verwonderden zich net zo goed over de Europese theoretische wiskunde en de astronomie. Ricci had deze vakken bestudeerd onder Christopher Clavius, de Duitse Jezuïet die één van de grootste wiskundigen van de periode was, en die verantwoordelijk was voor de Gregoriaanse kalender, die tegenwoordig in alle niet-islamitische landen wordt gebruikt. Aristoteles had de regels van de logica bijna twee duizend jaar eerder opgesteld. De Chinezen aan de andere hand, hadden zoals Ricci het uitlegt “geen verstand van de regels van de logica” (pagina 30). Ricci en een Chinese bekeerling tot het Christendom, vertaalden de eerste zes boeken van Euclides’ Elementen (o.a. geometrie) in het Mandarijn.

Aristotle (Wikimedia)
Aristoteles liep 2.000 jaar geleden al voor op de Chinezen

Niets bracht de Chinezen meer plezier dan de Elementen van Euclides. Dit was ‘misschien vanwege… de Chinese… methode van educatie, waarin ze allemaal verschillende bewijsleggingen veronderstellen, zonder deze te demonstreren. Het resultaat is dat iedereen vrij is om zijn wildste fantasieën los te laten over de wiskunde, zonder een definitief bewijs van zijn stelling te leveren. Aan de andere hand, konden ze in Euclides iets anders herkennen, namelijk een bewijs dat gepresenteerd werd in een bepaalde orde, waardoor iets definitief bewezen werd, zodat zelfs de meest koppigen dit niet konden ontkennen.’

Voor wat de astronomie betreft, schreef Ricci dat de Chinezen ‘zich niet realiseerden dat een maansverduistering veroorzaakt werd doordat de aarde tussen de maan en de zon kwam…. het was nieuw voor hen dat de zon groter is dan de aarde’ (pagina 325, 327)

Nog belangrijker: ‘Het aantal sterren dat ze kennen is 400 maal groter dan de berekeningen van onze astronomen… toch, met al deze kennis, nemen de Chinezen astronomen geen moeite om de fenomenen van hemelse lichamen te analyseren met de discipline van de wiskunde… Ze richten al hun aandacht op dat deel van de astronomie dat onze wetenschappers astrologie noemen.’ (pagina 30-31)

Ergens anders observeerde Ricci dat “hun primitieve astronomische wetenschappen niets begrijpen van de excentriciteit van een omloopbaan of van epicykels” (pagina 326) Dus maakte hij astronomische bollen en globes… die de hemel uitbeelden.. wanneer deze verschillende apparaten werden uitgestald en hun doel werd uitgelegd en de positie van de zon, de banen van de sterren en de centrale positie werd uitgelegd, dacht men dat Ricci “de grootste astronoom op de aarde was” (pagina 169).

Astronomical Clock Prague (Wikimedia)
Deze astronomische klok in Praag uit de 15e eeuw loopt nog steeds.

Ricci zelf meende nog dat de aarde het middelpunt van het universum was. Zijn kennis van de astronomie had zich niet verder dan de oude Grieken ontwikkeld, die de eersten waren die de bewegingen van de hemellichamen probeerden te verklaren. Om dit te doen, schiepen zij hypothesen over de baan van hemelse lichamen. Maar ze dachten dat de aarde het middelpunt van het universum was, en om dit te verklaren, moesten ze de loopbanen beschrijven als scheef (excentriciteit) en beschreven ze hypothetische kleinere loopgangen (epicykels), die eindigen in grotere loopbanen. Dit is wat Ricci demonstreerde aan de Chinezen. De Chinezen verwonderden zich, omdat ze zelf nooit geprobeerd hadden om de loop van hemellichamen zo te beschrijven.

Omdat de Europeanen constant probeerden om de bewegingen van de hemellichamen te conceptualiseren, gebeurde het dat de Oude Grieken eerst hun eigen geocentrisch model schiepen, waarna Copernicus, die ontevreden was met de onhandigheid en tegenstrijdigheid, het model verbeterde. Hierna verbeterde Kepler weer Copernicus’ verbeteringen, waarna Newton de universele wetten ontdekten, die Kepler’s verbeterde model verklaarden.

Ricci merkte op dat ook de Chinese kalender onnauwkeurig was en ook al deden Chinese astronomen hun best om een verduistering te voorspellen, ze maakten “ontelbare fouten” (pagina 31). Na Ricci’s dood in 1629, voorspelden de astronomen van de Keizer dat een zonsverduistering zich om 10:30 af zou spelen, en twee uur zou duren. De Jezuïeten voorspelden dat de zonsverduistering om 11:30 zou komen en maar 2 minuten zou duren. De voorspelling van de Jezuïeten was juist. Dit zorgde er voor dat de keizer vroeg aan de jezuïeten om de Chinese kalender te herzien.

Andere innovaties die de Jezuïeten introduceerden in het China van de 16e en 17e eeuw waren de schroef van Archimedes (een buis met daarin een schroef die water omhoog trekt voor irrigatie), algebraïsche notaties, de telescoop, logaritmische tafels, de rekenliniaal en typische Europese werktuigen voor het maken van instrumenten zoals schaalverdelingen en micrometer schroefmaten.

 

De Europese houding tegenover andere culturen als voorloper van het ‘Multiculturalisme’

Ricci schrijft: ‘Wanneer ze [de Chinezen] het doel hebben om iets te bouwen, dan richten ze zich op de duur van een mensenleven… waar Europeanen in overeenstemming met hun drang naar beschaving, eerder naar het eeuwige lijken te streven. Deze karaktertrek van hen [de Chinezen] maakt het onmogelijk voor hen… om te geloven… wanneer wij ze vertellen dat vele van onze gebouwen de elementen weerstaan hebben… voor een periode van honderden jaren en zelfs één of twee eeuwen… Ze graven niet in de grond om een fundering op te bouwen, maar ze plaatsen gewoon grote stenen op de platte oppervlakte van de grond, en als ze wel fundering bouwen, dan gaan ze niet dieper dan één of twee meter… het merendeel van hun gebouwen is gemaakt van hout, en als deze van metselwerk gebouwd zijn, dan worden ze nog steeds bedekt met daken die ondersteund worden door houten pilaren.’

Het is typisch voor Ricci’s objectiviteit dat hij naar Europeanen in het derde persoon verwijst: ‘Europeanen en hun drang naar beschaving.’

Ricci vertaalde ook de Vier Boeken van Confucius in het Latijn, omdat ‘Het geen nut heeft om alleen onze kennis te weten, zonder die van hen te kennen’, en samen met een andere Italiaanse Jezuïet maakte hij een Portugees-Mandarijn woordenboek, waarbij ze het eerste volledige systeem ontwikkelden om Chinese woorden om te zetten in het Latijnse alfabet. Ricci’s interesse in andere beschavingen, zijn objectiviteit wanneer hij dingen beschreef, en zijn verlangen om andere Europeanen hiermee bekend te maken, zijn altijd unieke en fundamentele eigenschappen van de Westerse beschaving geweest.

Eigenlijk waren vanaf het begin van de Europese beschaving, vanaf de oude Grieken, de Europeanen al multiculturalisten, en Europeanen zijn de enige multiculturalisten van de wereld geweest. De eerste ons bekende Europese geschiedenis werd geschreven door Herodotus in de vijfde eeuw voor onze jaartelling. Het Griekse woord historia betekend onderzoeking en Herodotus zijn historia is net zo goed geschiedkundige antropologie. Hij verhaalt en analyseert wat hij tijdens zijn reizen had geleerd, op plekken zoals Egypte, een locatie zo ver naar het Oosten als Iran, en langs de Zwarte Zee had geleerd. Hij was gefascineerd door de diversiteit aan menselijke culturen, en verwachte dat zijn lezers dit ook fascinerend zou vinden. Hij ging tot het extreme om mensen niet te veroordelen. Hij legde de nadruk erop dat hun gebruiken bepalen wat mensen zien als goed of fout. Zoals hij schreef in boek 3, hoofdstuk 38, ‘gebruiken zijn koning.’

Oude Griekse literatuur legde de nadruk op dezelfde houding naar niet-Grieken, wanneer wij terug gaan naar het begin, naar het eerste ons bekende werk van de Europese literatuur, de Ilias, die Homerus componeerde in de 8e eeuw voor onze jaartelling. De Ilias beschrijft gebeurtenissen in het tiende jaar van de belegering van Troje. Homerus had evenveel sympathie voor de Trojanen als voor de Grieken. In het bijzonder beschrijft hij de leider van de Trojanen, Hector, in liefdevolle omgang met zijn vrouw en zoon en beschrijft hij de zielenpijn die zijn bedroefde ouders voelen nadat hij werd vermoord door de grootste Griekse krijger, Achilles. Zo’n vorm van sympathie is typisch Europees. Het is zeker dat de auteur van het Eerst Boek van Samuel, er nooit op gekomen zou zijn om Goliaths ouders met hun verdriet uit te beelden nadat David hem had gedood.

Johann Heinrich Wilhelm Tischbein - Die sieben Helden der Illias
Johann Heinrich Wilhelm Tischbein – Die sieben Helden der Illias

Deze sympathie voor andere volkeren sloeg echter vaak al snel om in zelfhaat. In de vijfde eeuw voor onze jaartelling schreef Euripides twee toneelstukken – Hekabe en Trojaanse Vrouwen- waarin hij de Griekse wreedheid tegenover de weerloze Trojaanse vrouwen en kinderen uitbeeldt nadat Troje is ingenomen (alle toneelspelen werden voor het grote publiek uitgevoerd). De wreedheid van de Grieken naar de weerloze, verslagen Trojanen was een favoriet onderwerp op oude Griekse vaasschilderingen. De beeldhouwwerken van de Assyriërs, die het Midden Oosten domineerden van de negende tot het einde van de zevende eeuw voor onze jaartelling, beelden daarentegen de verslagen vijanden uit als piramides van opgestapelde schedels, en brengen geen enkel gevoel over behalve overwinning.

De Oude Romeinen voelden dezelfde fascinatie voor vreemde culturen als de Grieken. Voorbeelden zijn Julius Ceasars beschrijving van de Galliërs in zijn Commentaar op de Gallische Oorlog, Sallustius’ stuk over de volkeren van Noord-Afrika in zijn Jugurtha, en Tacitus over de Germanen in zijn Germania en Agricola. Geen enkel ander volk uit de oudheid had zulke interesses. Wanneer de oude Egyptenaren naar andere nationaliteiten verwezen, voegde ze er bijna altijd een bijvoeglijk naamwoord zoals “verachtelijk” of “minderwaardig” aan toe.

De Romeinen deelden in de Griekse neiging tot zelfhaat. Het Romeinse Rijk reikte van Schotland tot de Sahara, en van de Atlantische Oceaan tot de grens van wat nu Irak is. De bevolking van dit enorme gebied genoot een nog nooit eerder gekende vrede en voorspoed. Om twee voorbeelden te geven: de geletterdheid was zo wijdverspreid dat de meeste orders en reglementen in het Romeinse leger opschreven werden, omdat alle soldaten konden lezen. Daarnaast hadden de steden en dorpen van het Romeinse Rijk zuiverder water en een meer efficiënte riolering dan veel Europese steden tot 1870. Grote gebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten hebben nog steeds niet de hoge graad van geletterdheid en sanering die ze tijdens het Romeinse Rijk hadden. Ook is het zo dat in tegenstelling tot wat Hollywood afbeeld, slaven nooit schepen in de Oudheid roeiden. Slavernij was maar een heel klein onderdeel van de Romeinse economie. Niettemin waren de Romeinen obsessief bezig met elke onrechtvaardigheid en brutaliteit die ze in hun geschiedenis hebben bedreven. (wanneer ik dat uitleg aan mijn Zuid-Afrikaanse studenten, merkten er een paar op dat, “ze dus net Amerikanen” zijn).

Eén manier waarop de Romeinen zichzelf omlaag haalden, waren de etnografische beschrijvingen van vreemde culturen die ik eerder vermeld heb. Deze beschrijvingen dienen twee doelen. Eén was bedoeld om informatie te leveren, wat meestal objectief was, maar hun schrijvers gebruiken ze ook om een hard en negatief licht op hun eigen Romeinse beschaving te werpen. Bijna elke Romein die een beschrijving van een vreemd volk gaf, schreef tenminste één giftige anti-Romeinse toespraak en plaatste deze in de mond van één van de vijanden van Rome. De meest bekende is hoofdstuk 30-32 van Tacitus’ Agricola: De Romeinen zijn de “rovers van de aarde… ze gebruiken de oneerlijk verkregen naam Keizerrijk om te plunderen, slachten en te stelen; waar ze woestijnen scheppen, noemen ze dit vrede.”

Een andere manier waarop Romeinen hun etnografische beschrijvingen gebruikten om zichzelf te kastijden, was met een vergelijken tussen de (meestal verzonnen) deugden van andere volkeren en hun eigen (uitvergroten) gebreken. De meeste bekende van deze is hoofdstuk 18 en 19 van Tacitus’ Germania, waarin hij de tegenstelling tussen de Germaanse huwelijkstrouw afbeeld tegenover de losse kijk op vreemdgaan in de Romeinse samenleving. Bij de Germanen, “vindt niemand zonde grappig, en ook word verleiden en verleid worden, niet geëxcuseerd als ‘de geest van de tijd’”. Ik wil hier aan toe voegen dat Tacitus niet alleen de grootste Romeinse historicus uit de oudheid was, hij was ook een senator, die vele hoge posities hield, waaronder gouverneur in wat nu West-Turkije is.

Europeanen hebben sinds deze tijd altijd andere culturen, waaronder erg primitieve culturen (of zelfs sprekende paarden, in Swifts Gullivers Reizen), gebruikt om zichzelf te bekritiseren. De meeste lezers van dit artikel zullen vele voorbeelden kunnen bedenken. Ik zal er drie geven. Michel de Montaigne (1533-1592) was een erudiete, intellectuele, ontwikkelde en kritische man zoals als er maar weinigen geleefd hebben (met een Joodse achtergrond, noot van de vertaler). Zijn motto was ‘Que sais-je?’ (Wat weet ik?). Toch schreef hij in zijn verhandeling ‘Des Cannibales’ (Over Kannibalen), dat de inboorlingen van Brazilië hun “levenskracht”, “natuurlijke waarden” en “pure en simpele natuurlijkheid” bewaard hadden, omdat ze “zo weinig bedorven waren” door contact met de ijdelheid en frivoliteit van de Europeanen. De inboorlingen van Brazilië “overtreffen…. de concepten en de verlangens van de filosofie.. concepten zoals leugenaar, verraad, veinzen, hebzucht, jaloezie, kleineren, pardon, zijn niet bekend [bij hen].”

Aztec human sacrifice (Wikimedia)
Azteken brengen hun geavanceerde religie in praktijk

Europeanen zijn zo gretig geweest om de superioriteit van primitieve volkeren aan te tonen dat ze zelfs mensenoffers hebben geprezen. Hieronder valt de  katholieke priester Bartolomé de Las Casas (1484-1566) die in zijn Apologia schreef dat de Azteken “Iedereen te boven gaan op het gebied van religiositeit”, omdat de meest religieuze landen deze zijn, die hun kinderen opofferen voor het welzijn van het volk. Hij legt uit: “men zou als argument kunnen geven, op basis van Gods bevel aan Abraham, die zijn enige zoon moest offeren, dat God niet geheel een hekel heeft aan mensenoffers”. (In feite is één van de doelen van het verhaal over het offer van Isaac om te laten zien dat God geen mensenoffers wil. Las Casas zou moeten weten dat het Oude Testament zich meerdere keren en krachtig uitspreekt tegen mensenoffers.)

Mijn derde voorbeeld is meer recent. In ‘Earth in the Balance: Ecology and the Human Spirit’ (1992), citeerde ex-vicepresident en anti-broeikasradicaal Albert Gore (op pagina 259) zijn ecologisch ideaal, door het antwoord aan te halen van stammenleider Seattle aan president Pierce op het bod op het landgebied van de stam. ‘Hoe kun je de lucht kopen of verkopen? Het land? Dit idee is ons vreemd… elk deel van de aarde is heilig voor ons volk… de Aarde behoord niet toe aan de mensen, de mensen behoren aan de aarde toe’. Gore beschreef deze uitspraak als “ een van de mooiste en meest geciteerde uitspraken” die de Indiaanse houding tegenover het milieu beschrijft.

Statue of Seattle, Chief of the Suquamish by James Wehn (1912) (WikiMedia)
De Hollywoodversie van stamhoofd Seattle

Inderdaad wordt deze uitspraak vaak geciteerd, maar pas sinds 1971, want toen schreef scenarioschrijver Ted Perry dit stukje voor een televisieserie! De echte stamleider, die slaven hield, en bijna al zijn rivalen vermoordde, prees President Pierce voor de grootsheid van zijn aanbod. De Indianen, net als alle primitieve volkeren, slachtten dieren af en vernielden vegetatie met wellustige roekeloosheid.

Naast een sterke neiging naar zelfhaat onder Europeanen, deelden de moderne Europeanen met de Grieken en Romeinen ook een sterk verlangen om zo veel mogelijk te leren over andere beschavingen. Vanaf de tijd van de Arabische veroveringen van het Midden Oosten en Noord Afrika hebben Europeanen Arabisch en de Arabische volkeren bestudeerd. Paus Clemens V (1305-14) spoorde universiteiten aan om leerstoelen in het Arabisch op te zetten. Permanente leerstoelen in het Arabisch werden opgezet aan het Collège de France in 1538, de Universiteit van Leiden (voor het einde van de zestiende eeuw), Cambridge in 1632 en Oxford in 1636.

Edward Gibbon schreef in zijn autobiografie (pagina 79 van de editie van D.A. Saunders) dat wanneer hij Oxford binnenkwam in 1752, hij van plan was om Arabisch te leren, omdat “Oriëntaalse (Midden-Oosterse) geleerdheid altijd de trots van Oxford was geweest” Lang voor die tijd, hadden Europeanen stijlgidsen en woordenboeken geschreven voor het Arabisch, Perzisch en Turks, en vertalingen en edities van Islamitische boeken en analyses van de Islamitische literatuur en religie. Het eerste boek dat geprint werd door een boekdrukpers in England (1477) was het ‘Dictes and Sayings of the Pilosopher’, wat een Engelse vertaling was van een Arabisch boek van Mubashir Ibn Fatik. Tot 1603 werden er 49 boeken geschreven door Turken gepubliceerd in het Engels. Van alle boeken die tussen 1480 en 1700 werden gepubliceerd, waren er twee keer zoveel boeken over Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Het waren de Europeanen en Amerikanen die de oude taal van Egypte, Perzië en Mesopotamië herontdekken en hun oude geschiedenis reconstrueerden.
Deze fascinatie met vreemde culturen is uniek Westers. De Chinese houding naar vreemdelingen, die Ricci heeft beschreven is karakteristiek voor alle Niet-Westerse samenlevingen. De Arabieren heersten 800 jaar lang over veel delen van het Iberisch schiereiland, de Turken heersten bijna 500 jaar lang over het merendeel van Zuidoost Europa, maar de Arabieren en Turken hadden geen interesse om de Europese talen te leren. Ze gebruiken Europese bekeerlingen tot de Islam als vertalers.

Een goed voorbeeld van deze vorm van bekrompenheid is de geleerde Moslimhistoricus uit de late 17e / vroeg 18e eeuw, de Turk Mustafa Naima (1665-1716), die bijna zijn hele leven in Istanboel verbleef. Naima was ongewoon objectief, onderzoekend en open voor een Islamitische geschiedkundige. Hij ging verstandig en kritisch om met zijn bronnen. Historici maken nog steeds gebruik van zijn grootste werk, die in 1832 naar het Engels vertaald werd met de titel Annals of the Turkish Empire from 1591-1659 of the Christian Era. Maar Naima wist niets over Europa. In de inleiding tot zijn annalen zag hij er niets vreemds in om het Europa van de tijd dat hij aan het schrijven was (1704), te vergelijken met het Europa van de kruisvaarders. Beiden hadden veel Duitsers en beiden hadden een keizer! (pagina IX-X) Naima was een tijdgenoot van Newton, Leibnitz, Leeuwenhoek en Locke. Maar nadat hij een lijst maakten van nu compleet vergeten Turkse theologen, schreef hij: “Dit is genoeg om de jaloezie van de Christenen aan te wakkeren” (pagina IX).

De Franse verovering en bezetting van Egypte tussen 1798 en 1801 dwong een aantal Egyptische Moslims om de Europeanen serieus te nemen. Gelukkig schreef één van hun, Abdul Al-Jbarti, een gedetailleerde beschrijving van de Fransen in Egypte. Een Engelse vertaling werd gepubliceerd onder de titel: Napoleon in Egypt: Al-Jabarti’s Chronicle of the French Occupation (expanded edition, 2004). Al-Jabarti bekritiseerde de vijandige houding van de Franse republiek tegenover het Christendom* en de gelijke rechten voor Christenen en Joden (pagina 28, 32, 189-90). Maar hij prees de Fransen voor hun humane behandeling van de Egyptenaren die zij gebruikten in publieke werken, en dat ze hun loon betaalden, in plaats van de mensen te ronselen en af te beulen met zwepen, zoals de Egyptische regering dat deed. (pagina 195). Hij verwonderde zich ook over de Europese wetenschap en technologie (pagina 110, 195) en het feit dat ze de “glorieuze” Koran vertaald hadden in hun taal! ‘En ook vele andere boeken…. vele verzen kennen ze uit hun hoofd. Ze…. doen een grote moeite om Arabisch te leren… Hierin streven ze dag en nacht’ (pagina 110).

Kortom, een obsessie met zelfkritiek en een passie om zo veel mogelijk te leren over andere beschavingen zijn vanaf het begin de meest unieke en fundamentele eigenschappen van de Westerse beschaving geweest. Deze eigenschappen hebben zonder twijfel bijgedragen aan andere unieke en fundamenteel Westerse eigenschappen zoals: constante, rusteloze verandering, aanpassing en verbetering. Deze eigenschappen moeten de hoofdreden zijn voor de Westerse groei naar wereldwijde dominantie, zelfs over Aziaten, die een iets hogere gemiddelde intelligentie bezitten.

Om te illustreren hoe belangrijk deze karaktereigenschappen zijn, zou ik graag terugkeren naar Ricci’s dagboeken. Hij merkte op dat zelfs het beste Chinese papier van zeer minderwaardige kwaliteit was vergeleken met Europees papier. “Het kan niet aan beide kanten beschreven of gedrukt worden… bovendien scheurt het makkelijk en heeft de tijd er snel vat op” (pagina 16) Toch hadden de Chinezen eeuwen voor de Europeanen het papier ontdekt. In 1620 observeerde Francis Bacon in Boek 1, hoofdstuk 129 van zijn Novum Organum dat boekdrukkunst, buskruit en het kompas “Het hele aanschijn en de staat van de dingen over de hele wereld heeft veranderd… geen keizerrijk, geen sekte, geen ster, heeft een sterkere invloed op de menselijke wereld gehad als deze mechanische ontdekkingen” Alle drie werden ontdekt door Chinezen, eeuwen voor dat de Europeanen ze begonnen te gebruiken, maar alleen de Europeanen ontwikkelden ze verder en pasten ze toe om hun samenleving en daarna de hele wereld te veranderen. Ricci observeerde: “De Chinezen zijn geen expert in het gebruik van geweren en artillerie en ze maken er amper gebruik van in oorlogsvoering” (pagina 18) In Ricci’s tijd, hadden Europeanen het kompas gebruikt om de wereld te ontdekken en vast te leggen op de kaart, terwijl de Chinezen dachten dat de hele wereld bestond uit China en een paar eilanden.

Van deze uitvindingen is de boekdrukkunst nog wel de meest waardevolle. In 1500, minder dan vijftig jaar nadat Gutenberg zijn eerst boek met losse metalen letters had gedrukt, hadden 236 Europese steden en dorpen drukpersen, en hadden de Europeanen 30.000 titels gedrukt, met in totaal ongeveer 20 miljoen boeken, in meer dan een dozijn talen. In 1483 werden er al boeken gedrukt in het Cyrillisch alfabet en in 1501 in het Grieks. De Spanjaarden zetten in 1533 in Latijns America een drukpers op, en de Portugese kolonie Goa in India in 1557. In 1600, toen de bevolking van Europa ongeveer 100 miljoen bedroeg, waren er tussen de 140 en 200 miljoen boeken gedrukt. In 1605 verschenen de eerste kranten, die zich vooral specialiseerden in nieuws over de handel.

Press1520
Een drukpers, tekening uit 1520

In alle andere gebieden van de wereld werden tot de 19e eeuw bijna alle boeken nog met de hand overgeschreven. De eerste drukpers in de Islamitische wereld werd opgericht in Istanboel in 1727, door een Hongaarse bekeerling tot de Islam, die een Jood gebruikte als zijn hoofddrukker. In 1815 waren er 63 titels (minder dan één per jaar) gedrukt in Istanboel, het intellectuele centrum van de Islamitische wereld, en de meeste van deze titels werden gedrukt in aantallen van minder dan duizend per keer. De eerste Egyptische drukpers werd opgericht door de Fransen, toen zij Egypte bezetten in 1798. In tegenstelling hiermee werd de eerste Koran in het Arabisch gedrukt in Venetië in 1530, dus bijna twee eeuwen voordat het eerste boek in de Islamitische wereld werd gedrukt.

Voor een westerling is de onverschilligheid van de niet-Westerse wereld voor zulke buitengewoon nuttige uitvindingen als de drukpers onvoorstelbaar. De reden van deze onverschilligheid is dat alle niet-Westerse culturen dezelfde houding van zelfingenomen arrogantie en minachting voor vreemdelingen vertonen die Ricci al opmerkte onder de Chinezen.

Zelfkritiek en fascinatie met andere beschavingen zijn kenmerkend voor de Westerse beschaving, en zijn van begin af aan cruciale factoren geweest in haar groei naar dominantie.

Deze factoren kunnen echter alleen positief zijn als massa-immigratie tussen beschavingen niet voor zou komen. Toen grote getallen niet-Westerse immigranten naar Westerse landen begonnen te emigreren werden deze eigenschappen suïcidaal. Aristoteles schreef dat er twee soorten ondeugden waren: degenen die voortkomen uit een wrede natuur, en degenen die voortkomen uit een teveel aan deugden.

*   *   *

Dit is een vertaling van een artikel door Steven Farron, dat verscheen in American Renaissance in december 2009. De vertaling is van Hicma. Farron was hoogleraar Klassieke Oudheid aan de Universiteit van Witwaterrand in Johannesburg. Hij is de schrijver van ‘The Affirmative Action Hoax’. Hier het originele artikel.

Alle afbeeldingen zijn afkomstig van wikimedia.org