Volksnationalisme en Zuid-Afrika (Deel 2)

0
510

In het voorgaande deel is het onstaan van de Kaapkolonie beschreven, de vroege conflicten die op het pad van de Afrikaners kwamen, en de overname van de Kaapkolonie door de Britten. Vanaf hier pakken we de draad weer op.

De beginselen van een volkse eigenheid

De Engelse aanwezigheid in de Kaapkolonie die vanaf 1806 een feit was – en officieel werd vanaf 1814 – bracht voor het eerst een gevoel bij de Afrikaners dat ze overheerst werden door een voor hen vreemde mogendheid. Op dat moment waren de nazaten van de eerste pioniers al 150 jaar in Zuid-Afrika. Hun strijd voor hun plaats op deze wereld in deze periode leidde volgens socioloog T. Dunbar Moodie al tot een zekere volkseenheid onder de Afrikaners:

‘Many Afrikaners believe also that the harsh rule of the Dutch East India Company at the Cape and the hard life on the frontier fostered a spirit of unity and independence within the pioneer settlement. So, according to their creation story, Afrikaners were Calvinists of Western Europe- an origin and a nation in their own right before the arrival of the English.’ [1]

Deze situatie zorgde er dus voor dat de Afrikaners naar de Britten keken als mensen buiten volk en natie. Wellicht was het in een ander universum mogelijk dat de Britse aanwezigheid op dit moment in de geschiedenis op zou gaan in de algehele Afrikaner identiteit. Echter streek de Britse administratie in het eerste deel van de 19e eeuw dusdanig tegen de haren van de Afrikaners in, dat deze vanaf 1836 in grote getale de Kaapkolonie verlieten tijdens de Grote Trek. Maar hoe is het tot deze situatie gekomen? Wat waren de voornaamste oorzaken voor de grote ontevredenheid onder de Afrikaners?

Problemen met de Britse administratie

Er is aan de Afrikaner zijde veel geschreven over de aanloop naar de Grote Trek, en de redenen hiervoor. Toch is een van de meest complete betogen voor het vertrek van de Afrikaners geschreven door een Engelsman. Henry Cloete, een prominente Brit die in 1843 – 1844 commissaris van Natal werd (hierover later meer), gaf in de jaren 1852 – 1855 een reeks lezingen over dit exacte onderwerp. Deze zijn in 1899 in geschreven vorm uitgewerkt en uitgegeven door zijn kleinzoon onder de titel ‘The History of the Great Boer Trek and the Origins of the South African Republics’. Omdat Cloete in de exacte periode van de behandelde gebeurtenissen leefde, en bekend was met beide kanten van het verhaal, biedt het voor de lezer in de 21e eeuw een uniek perspectief. Het overgrote deel van het verhaal in dit artikel is gebaseerd op dit boek.

Er waren uiteraard meerdere redenen voor het uiteindelijke vertrek van de Afrikaners, en deze zijn zeer lastig op chronologische wijze te behandelen zonder het warrig te maken, dus ik laat de punten na elkaar voorbijkomen.

Gebrek aan veiligheid in Oostkaap

In het eerste deel van deze reeks kwamen de oorlogen die de Afrikaners tegen de Xhosa vochten in het oostelijke uiteinde van de Kaapkolonie ter sprake. Ondanks dat de Afrikaners deze oorlogen wonnen, werd er geen definitieve overwinning geboekt, en bleef het betwiste gebied (het Zuurveld) bewoond door beide volkeren. In 1812 kwam hier verandering in: de Britse troepen, die in de Kaapkolonie ter plekke waren door de bezetting, trokken samen met de Afrikaners ter strijde tegen de Xhosa, behaalden een definitieve overwinning, en slaagden erin deze achter de Visrivier te drijven.

Het handhaven van de Visrivier als oostgrens van de Kaapkolonie verliep zeer effectief in de jaren 1812 – 1815. Er werden kleine forten gebouwd aan de grens, waarbij militaire patrouilles de terugstroom van de Xhosa naar het Zuurveld – door de Engelsen Albany genoemd – wist te voorkomen. In 1815 kwam hier verandering in: door de ondergang van Napoleon en de terugkeer van vrede in Europa, werd het overgrote deel van de Engelse troepen die aanwezig waren teruggeroepen naar Engeland. Hierdoor werd de voorheen effectieve patrouilles onmogelijk, en werden slechts enkele posten bemand. De voornaamste verdedigingen centreerden zich rond Grahamstad, de grootste nederzetting in het Zuurveld.

Deze poreuze grens werd snel weer overschreden door de Xhosa, die zich weer in het Zuurveld vestigden, en daarbij kwamen geschillen met de Afrikaners over gestolen vee (zoals al vele malen eerder) weer op gang. In eerste instantie probeerde de Britse administratie dit diplomatisch op te lossen, door bondgenootschappen te sluiten met enkele Xhosa-stammen. Dit had slechts beperkt effect: andere Xhosa-stammen beschuldigden de stammen die met de Engelsen verdragen sloten van verraad, en vielen deze vervolgens aan. De algehele situatie nabij de oostgrens van de Kaapkolonie werd dusdanig onhoudbaar dat de Britse administratie in maart 1819 een nieuw commando oprichtte om orde te herstellen aan de oostgrens. Aangezien er vrijwel geen Britse troepen meer aanwezig waren in de Kaapkolonie, bestond deze vooral uit de lokale bevolking, waaronder veel Afrikaners.

Terwijl de verzameling van deze troepenmacht bezig was, werd de noodzaak van deze actie bewezen: de Xhosa, opgejut door een profeet die beweerde dat de Britse kogels in water zouden veranderen, vielen op 22 april 1819 met een leger van 8000 – 10000 man Grahamstad aan. Deze werd ternauwernood met succes behouden door de Engelsen/Afrikaners door 350 verdedigers. Deze bijna succesvolle aanval bewees hoe zwak de Europese aanwezigheid was in het Zuurveld, en de Britse administratie wilde hier met het verzamelde commando verandering in brengen.

De expeditie, die zou uitmonden in de vijfde frontoorlog en de tweede onder de Britse administratie, bleek een groot succes te zijn. De Xhosa werden opnieuw uit de Kaapkolonie gedreven, en werden zelfs tot voorbij de verder gelegen Keiskamma-rivier gejaagd. Echter ontstond er bij de vredesonderhandelingen een opmerkelijke situatie: de Britse administratie te Kaapstad wilde het nieuw gewonnen gebied niet bezetten, maar anderzijds ook niet teruggeven aan de Xhosa. Men stelde voor het gebied, dat later door de Britten Victoria genoemd werd, neutraal te houden. Dit citaat van Cloete maakt zijn mening over deze situatie duidelijk:

‘It certainly does appear to us now, judging ex post facto and after a lapse of years, as somewhat extraordinary, that persons possessed of intelligence…. adopted a measure which the most ordinary common sense of any practical peasant at once foretold was to be again the cause of endless dispute, and, in fact, of the undoing of everything that had been done before. ‘ [2]

Ook kwamen er in 1820 ongeveer 5000 Britten naar de Oostkaap. Dit was geregeld vanuit de Britse administratie om hun greep op dit gebied, die zoals eerder beschreven bepaald niet vast was, te versterken. Het was ook een symbolische gebeutenis: het betekende dat de Britse aanwezigheid meer werd dan slechts een administratie die heerst over de Afrikaners, nu er Britse burgers neerstreken die weinig gemeen hadden met de gevestigde blanke bevolking.

De diplomatisch vastgelegde afspraken in 1820 bleken al snel onwerkbaar: het neutrale gebied bleef allesbehalve leeg. Veertien jaar lang was er sprake van klachten van diefstal bij de Afrikaners en kleine conflicten met de Xhosa. Op Eerste Kerstdag in 1834 laaide de oorlog opnieuw op, wanneer tussen de 12000 en 15000 troepen de Oostkaap binnenvallen en alles verwoestten en vermoordden dat op hun pad kwam. Er was ook voor de Xhosa sprake van een dringende situatie: zij werden aan de andere kant van hun koninkrijk belaagd door de Zulu’s, wat hen richting de Oostkaap dreef. Pver de Zulu’s zal verder worden uitgeweid in een volgend artikel.

De Oostkaap was niet voorbereid op een aanval op deze schaal, en werkelijk alle zeilen moesten bijgezet worden om de aanval te weerstaan. Bij aankomst vanuit Kaapstad riep de Britse kolonel iedereen die het kon op om te vechten, en degenen die dat niet konden om materieel en voorraden te leveren. Ook werd beloofd dat gemaakte kosten voor de veldtocht vergoed zouden worden.

Afbeelding 1: Een impressie van het oostelijke front van de Kaapkolonie rond 1835 [A1]

Het was opnieuw een geslaagde veldtocht, waarbij de Xhosa uit de Oostkaap verdreven werden. De Afrikaners kregen het zelfs voor elkaar om de Xhosa voorbij de Groot-Kei te drijven, waardoor een nieuw stuk land (aangegeven met de licht-gele kleur op afbeelding 1) toegevoegd kon worden aan de Kaapkolonie. Ook zou het mogelijk worden voor de Afrikaners om aanspraak te maken op het voorheen neutrale gebied (met wit aangegeven op de kaart) ter compensatie voor de kosten en verliezen die zij gemaakt hebben door plundering, en het bevoorraden van de expeditie.

Echter bleek de realiteit totaal anders uit te vallen, zeer ten nadele van de Afrikaners. Er kwam bericht uit Londen van de koloniale staatssecretaris, die de hele oorlog veroordeelde als een oorlog van agressie, waarvan de Xhosa de voornaamste slachtoffers waren. Ook stuurde hij aan op het herstellen van de status quo, waarbij het onmogelijk was voor de Afrikaners om enig land te verkrijgen. Daarnaast bleef de beloofde vergoeding volledig uit. Eventuele goede bedoelingen van de gouverneur van de Kaapkolonie werden niet verzilverd, uiteindelijk bepaalde Londen wat er gebeurde.

Vijftien maanden oorlog, waarin veel levens gelaten werden en heel veel boerderijen verwoest werden, vee gestolen werd etc. zijn helemaal voor niets gebleken. Het vredesverdrag zou niet tot een stabiele situatie leiden en de instabiliteit duurde inmiddels al 20 jaar. Daarnaast werd vanuit Londen neergekeken op de Afrikaners, die de Xhosa vooral vanuit agressie aanvielen, en hen onderdrukten. De optelsom van deze twintig jaren (1815 – 1835) van conflict en instabiliteit in de Oostkaap deden de relatie tussen de Afrikaners en de Britten danig verzuren.

Verengelsing in de Kaapkolonie

Naast de hierboven beschreven militaire situatie die voor een groot gebrek aan veiligheid zorgde, kwamen er ook verscheidene situaties aan bod in de interne Britse administratie van de Kaapkolonie. De verengelsing van de hele Kaapkolonie werd op meerdere fronten in gang gezet vanaf het moment van de bezetting in 1806. Dit was vooral zichtbaar op twee gebieden: het religieuze en het juridische.

Allereerst het religieuze punt: de Britten begonnen voornamelijke Schotse dominees te importeren om te dienen in de Nederlands Hervormde kerk, de grootste kerkelijke denominatie in de Kaapkolonie. [3] Hiermee veranderde vanzelfsprekend ook de gesproken taal in de kerk. Daarnaast kwamen er missionarissen vanuit het hele Verenigd Koninkrijk om onder de zwarte bevolkingen te evangeliseren. Deze richtten in korte tijd niet minder dan dertig missionarisscholen op in de Kaapkolonie [4]. Dezen werden vooral op de Khoi gericht, die (zoals in deel 1 beschreven) na hun ondergang als natie vooral bij de Afrikaners op het land werkten.

De Khoi begonnen zich echter rond de missionarisscholen te clusteren, waar de Engelse missionarissen zich opwierpen als hun ‘beschermers’ [5]. Zij overtuigden de Khoi ervan dat zij een natie in hun eigen recht waren, en dat het ver beneden hun stand was om op het land van de Afrikaners te werken. En aangezien de scholen – vooral vanuit Engeland gefinancierd – voor de Khoi konden zorgen, verlieten zij de boerderijen in zeer grote getale, waarbij de Afrikaners zonder enige hulp in een benarde situatie terecht kwamen:

‘… so that whenever a farmer was unable, by the help of his own family, to watch his flocks by day and by night, losses became fearful, and many, in despair, were compelled to give up all farming prospects, and to take up their abode with some friends and relatives, so as to combine their resources, and thus eke out a miserable subsistence, without the chance of improving their condition, still less of providing for their offspring.’ [6]

De Khoi vertrokken echter niet alleen richting de missionarisscholen: ook begonnen ze sloppenwijken te vormen aan de rand van bestaande dorpen en steden, ook met als gevolg dat ze van de boerderijen vertrokken. Dit fenomeen raakte de Oostkaap – net als de militaire situatie – harder dan de Westkaap, omdat de aanwezigheid van slaven in dit gebied nihil was.

Deze aanwezigheid van slavernij in de Kaapkolonie zou in 1834 afgebroken worden totdat het in 1838 volledig afgeschaft werd. De Afrikaners hadden geen probleem met deze maatregel, zolang er voor het verlies gecompenseerd zou worden door de Britse administratie. Dat werd vervolgens door deze beloofd. Wat echter volgde bleek een fascinerend staaltje 19e-eeuwse bureaucratie te zijn: de vastgestelde budgetten bleken veel te laag te zijn, waardoor de compensatie die beloofd werd minder dan een tiende van de daadwerkelijke waarde was [7]. Dit was echter bij lange na niet het grootste probleem. De compensatie gebeurde via de Bank of England, en moest bij deze opgehaald worden… in Londen [8]. Een schier onmogelijke taak voor de gemiddelde Afrikaner. Velen lieten de compensatie dan ook schieten, aangezien het bedrag een reis naar Londen uberhaupt niet waard was.

Slagtersnek

Het zal de lezer inmiddels opvallen dat de voornaamste regio die geraakt wordt door de nadelen van de Britse administratie de oostelijke zijde van de Kaapkolonie is. Deze streek zou dan ook het toneel worden van de eerste opstand van de Afrikaners tegen de Britten in het jaar 1815, die bekend staat als de opstand van Slagtersnek (lees: Slachter’s Nek).

Deze ontstond om de volgende reden: Afrikaner argwaan jegens de Britten ontstond ook op het gebied van rechtspraak in de kaapkolonie. Het juridische proces veranderde in een geheel Britse affaire, waar de Afrikaners met hun klachten niet terecht konden:

‘Petitions in the language of the country and complaints about bitter grievances were not even acknowledged. The Boers were excluded from the juries because their knowledge of English was too faulty, and their causes and actions had to be determined by Englishmen with whom they had nothing in common.’ [9]

Deze gang van zaken leidde tot een algehele argwaan voor de rechtspraak van de Britten. Zoals eerder in dit artikel besproken, hadden sommige Britse missionarissen zich opgeworpen als de beschermers van de Khoi, die tot voor kort op de Afrikaner boerderijen werkten. Dit fenomeen lekte ook juridisch door, waar de Afrikaners door lokale Britse missionarissen voor de rechtbank werden gesleept voor de vermeende misdaden die zij gepleegd (zouden) hebben.

Echter was iemand voor de rechter slepen überhaupt geen makkelijke taak in de Oostkaap: de rechtspraak moest gedaan worden via het Hooggerechtshof in Kaapstad. De hoofdsteden van de meest verafgelegen districten, Graaf-Reinet en Uitenhage, lagen respectievelijk 600 en 640 kilometer van Kaapstad weg. Ter vergelijking: het is een kortere afstand tussen Amsterdam naar Berlijn. Tel hierbij op dat moderne manieren van vervoer e.d. onmogelijk waren, en het ver-van-mijn-huis gevoel dat de Afrikaners in de Oostkaap ervoeren was haast vanzelfsprekend te noemen.

In oktober 1815 roept de Britse administratie Frederik Bezuidenhout op om in Graaf-Reinet voor de rechtbank te verschijnen, op aantijgingen van mishandeling van een van zijn Khoi-werknemers. Deze verscheen echter niet ter plekke, en had een bericht meegegeven waarin hij duidelijk maakte dat hij ieder die zou proberen hem van zijn boerderij voor de rechtbank te slepen neer zou schieten. Een Britse luitenant met een groep van zo’n 12 tot 20 (bronnen variëren) zwarte troepen probeerde Bezuidenhout toch in te rekenen. Bezuidenhout hield zich aan zijn woord, en een schermutseling ontstond waarbij Bezuidenhout uiteindelijk zelf doodgeschoten werd.

Deze hele affaire zorgde voor wraakgevoelens jegens de Britten, vooral bij Frederiks broer, Johannes (ook aangeduid als John) Bezuidenhout. Deze probeerde na de begrafenis van zijn broer een opstand te veroorzaken, omdat hij vond dat de Britten een grote illegaliteit hadden begaan, en zijn broer nota bene door zwarten ingerekend en doodgeschoten werd met Britse goedkeuring. Er gingen brieven rond naar alle boerderijen in de dichtstbijzijnde streken om ze te informeren en om steun te vragen om ‘de tirannen van ons land te verdrijven’. Echter werd een van deze brieven gezonden naar een ‘loyale’ Afrikaner, die deze gelijk doorstuurde naar de Britse autoriteiten [10].

De onderschepte brief zorgde ervoor dat de Britten de opstand in de kiem konden smoren, en enkele leiders al gevangen konden nemen, zonder een schot te lossen. Uiteindelijk sterven er slechts enkelen in een korte schermutseling, waarbij alle leiders gevangengenomen worden, en in Uitenhage hun lot afwachtten. 39 Mensen worden beschuldigd van hoogverraad, waarvan er 5 veroordeeld zouden worden tot de doodstraf. Deze straf werd op 6 maart 1816 uitgevoerd op de plaats die Slagtersnek heet. De uitvoering van de straf verandert in een opmerkelijk tafereel: de doodstraf zou via ophanging uitgevoerd worden, maar toen deze uitgevoerd werd bleken de galg-constructie niet sterk genoeg, en brak deze. Hierdoor moest het opnieuw opgebouwd worden, terwijl het Afrikaner-publiek, dat deze onderbreking als goddelijke inmenging zag, om genade smeekte voor de veroordeelden. Het mocht niet baten: uiteindelijk werden de veroordeelden voor de tweede keer opgehangen.

Afbeelding 2: Inscriptie van overledenen op het Slagtersnek-monument [A2]

Deze opstand, ondanks het gebrek aan succes, zou een van de grote vormende momenten van het Afrikaner nationalisme worden. De mannen die hier het leven moesten laten worden op meerdere monumenten herdacht, zoals in afbeelding 2, en kunnen als martelaren voor het Afrikaner nationalisme gezien worden. Het was een moment in de geschiedenis dat voor een versterkt wij-zij gevoel zorgde tussen Afrikaner en Brit, en een absolute verwerping van Engelse rechtspraak:

‘…and gradually the hard fact was borne upon us that there was no such thing as Justice in England.’ [11]

Conclusie

Zoals de lezer kan zien waren er veel en veelzijdige redenen voor de Afrikaners om, zacht uitgedrukt, ontevreden te zijn met de Britse administratie in de Kaapkolonie: een oostgrens die decennia lang allesbehalve veilig was, oorlogen waar zij alles op het spel zetten zonder er iets voor terug te krijgen, verengelsingsbeleid en Britse ‘gerechtigheid’. Al deze zaken, die de Afrikaner in een vrij korte periode ervoer, droegen bij aan de volwassenwording van een (volks-)nationalistisch gevoel dat hen tot een opmerkelijke beslissing bracht: ze trokken liever de vrijwel onbekende wildernis van Afrika in, dan nog langer onder de Britse administratie te verblijven. De gebeurtenissen van de Grote Trek, en het korte leven van de eerste Afrikaner republiek Natalia, zullen worden behandeld in het volgende artikel.

Marcus

Bibliografie

[1]    T. Dunbar Moodie (1975): The Rise of Afrikanerdom: Power, Apartheid and the Afrikaner Civil Religion (Blz. 2)

[2]    W. Cloete (1899): The history of the Great Boer Trek and the origin of the South African Republics (Blz. 65)

[3]     Zie 1 (Blz. 4)

[4]    Zie 2 (Blz. 37)

[5]    Zie 2 (Blz. 36)

[6]    Zie 2: (Blz. 38)

[7]    Zie 2: (Blz. 54)

[8]    Zie 2: (Blz. 55)

[9]    F. W. Reitz (1900): A Century of Wrong (Blz. 10)

[10]    Zie 2: (Blz. 22)

[11]    Zie 9 (Blz. 8)

Afbeeldingen

[A1]    https://en.wikipedia.org/wiki/Xhosa_Wars#/media/File:Eastern_Frontier,_Cape_of_Good_Hope,_ca_1835.png

[A2]    http://debuys.blogspot.com/2011/08/slagtersnek-rebellion.html