Vechten en Spiritualiteit: Ridders van Nu

Sint Michiel 1Ridders spreken tot de verbeelding. Hoe velen hebben niet van jongs af aan de dapperheid en edelmoedigheid bewonderd van de ridders uit films en boeken. Ridders staan ons voor ogen als het grote ideaal van de Europese mannen. Misschien lijkt het alsof deze koene krijgers zijn uitgestorven, maar juist in onze tijd zijn er steeds meer mannen die de idealen van het ridderschap herontdekken. Onlangs hield een Vlaamse ridderschap een lezing en vechtdemonstratie in Antwerpen. Twee leden van Erkenbrand waren er bij.

De Sint-Michielsgilde van Antwerpen is een school voor de traditionele Europese krijgskunsten. Haar geschiedenis gaat terug tot 1488, toen zij werd ingesteld ter ere van de Duitse keizer als de derde van de gewapende gilden, na de voetboog- en de handboogschutters. Doorgaans werd deze gilde aangeduid als de “gilde der hellebardiers van de Heilige Aartsengel Sint Michiel”, naar hun geliefde wapen, de hellebaard: een soort lange lans met aan het uiteinde een bijl. Eerst was de gilde een soort keizerlijke wacht, maar later kreeg zij de erkenning om als een soevereine gilde te handelen.

De lezing werd gegeven door de Meester en Deken van de gilde, Alan Spaenjaers. Wie Alan voor het eerst ontmoet, zou in hem niet gelijk een zwaardvechter zien. Hij lijkt niet op “Conan the Barbarian”. Met zijn beschaafde uiterlijk, zijn korte baard en zijn bril lijkt hij eerder een geleerde of kloosterling. Toen hij echter na zijn lezing de vechtdemonstratie gaf met zijn leerlingen, en de zwaarden in het rond flitsten, bleek die indruk onjuist. Of toch niet? Want de lezing schetste het ridderschap niet als een soort sport, maar als een levensweg die alles omvat. Net als in de oosterse vechtkunst wordt hierbij fysieke vaardigheid gekoppeld aan spiritualiteit.

De oorsprong van de ridders ligt in de vijfde eeuw. De bescherming van de centrale macht van het Romeinse rijk viel weg, en lokale machtsstructuren vulden de leemte op. Deze kwamen voort uit groepen binnenvallende Germanen, maar ook uit overgebleven Romeinse legereenheden en uit de kerk. Uit een chaotische periode van enkele eeuwen ontstond uiteindelijk de feodale samenleving, met een nieuw soort legers, waarin de ridder centraal kwam te staan. Door de uitvinding van de stijgbeugel in de achtste eeuw werd de ruiter veel wendbaarder, en kreeg hij een betere grip op zijn wapens. Dit gaf hem een groot voordeel op de infanterie, die tot dan toe het slagveld had beheerst. Veldslagen bleven macabere zaken, maar de ridder liep toch relatief weinig risico, ook omdat ridders meestal vermeden elkaar te doden.

Net als bij vrijwel alle Indo-Europese volkeren kende onze samenleving in de middeleeuwen drie standen. De eerste stand was de geestelijkheid, die de religie en het recht beheerde. Een trap lager stonden de adel en de krijgers, ook wel de ‘bellatores’, de strijdende kracht genoemd, die zorgden voor strijd en de bezieling. De derde stand bestond uit de boeren, handelaars en ambachtslieden, en zorgde voor de productie. Eventueel kunnen we hieraan nog een vierde ‘stand’ toevoegen, die der vogelvrijen of paria’s, die uitgestoten waren uit de samenleving, vaak door de rechtspraak. De drieslag van de ‘officiële’ standen stamde uit de heidense tijd, waarin de drie standen onder de hoede stonden van respectievelijk Wodan en Tyr, Donar en Balder, en Freya en Freyr. De Christelijke kerk rangschikte de standen onder de functies van Christus als profeet, koning en timmerman. Zo had iedere stand zijn eigen Godsbeeld en levensideaal. Mensen beleefden de samenleving als gericht op het hogere en het eeuwige. Men zag de maatschappij als een mystiek lichaam van Christus, waarin iedere stand en iedere mens zijn eigen plaats en roeping had.

St._Michael_and_the_Dragon - Sienese_School_of_the_14th_century - Google_Art_Project
St-Michiel: geen heilig boontje

De ridderstand ontwikkelde een eigen spiritualiteit en erecode, waarin het heidense ethos van lotsaanvaarding, eer en dapperheid samensmolt met de Christelijke ethiek. De ridders stelden zich koning Arthur of Karel de Grote ten voorbeeld, maar ook spiegelden ze zich aan de helden uit de heidense oudheid, zoals Alexander de Grote of Julius Caesar. De ridders stichtten zelfs eigen cultusplaatsen voor deze helden. De vermenging van heidense- en Christelijke elementen zien we terug in de figuur van Sint Michiel: een drakendoder volgens de heidense traditie, die nu echter Gods legers aanvoerde, en die het kaf van het koren zou scheiden bij het Laatste Oordeel.

De kerk had op zich veel waardering voor de ridders. Ware ridders legden zich er op toe om het Rijk van God op te bouwen in het hier en nu. De Heilige Bernardus van Clairvaux stelde zelfs dat het bloed van een held dichter bij God was dan het werk van de theoloog of de gebeden van de gelovigen, omdat hij zich opoffert, net als God zich opofferde in de persoon van Christus, het Lam van God. Bernardus had op zich niet heel veel bezwaren tegen de vrij  heidense spiritualiteit van de ridders, maar keerde zich fel tegen hun uitwassen van egoïsme, hoogmoed en ongecontroleerde rivaliteit. De kerk probeerde ook de zwakkeren in de samenleving, de clerus en de derde stand, te vrijwaren van het geweld, bijvoorbeeld door het instellen van een ‘Godsvrede’.

Uiteindelijk is het te danken aan de invloed van de kerk dat het ridderschap zijn volle bloei heeft kunnen bereiken, door discipline, orde en soberheid. Pogingen van de kerk om het ridderschap volledig in te kapselen in haar alomvattende wereldbeeld waren echter vergeefs.  De kerk overwoog zelfs om het ridderschap tot een sacrament te maken, vergelijkbaar met het huwelijk. De ridders hielden echter vast aan hun zelfstandigheid en hun eigenzinnige ideaal.

Het ridderideaal vereiste perfectie en verinnerlijking. De ridder moest een besef aankweken van enerzijds zijn lot en anderzijds zijn eeuwige kern, zijn ziel. De zondeval had naar Christelijke overtuiging geleid tot diepgaande deviatie, zwakte en verdeeldheid in de mensen. De ridder diende zijn lot te aanvaarden, en zijn gedrag in overeenstemming te brengen met de Goddelijke orde. Deze harmonie met God was het eigenlijke paradijs. Voor de ridder was zijn lotsbestemming zijn levensbeginsel, en in de fysieke beoefening van de krijgskunst omarmde hij zijn lot. Zo zocht hij als ridder de vrede in het zwaard, hoe paradoxaal dat ook moge klinken. De kracht hiervoor putte hij uit de omgang met zijn ziel.

Het ging de ridder om een martiale, maar ook contemplatieve levenshouding. Het belangrijkste was te strijden uit liefde, ter bescherming, tegen de chaos die de Goddelijke orde bedreigde. Deze strijd gold ook de chaos in het binnenste van de ridder. Hij moest zijn ego opofferen, zijn doodsangst overwinnen, en zijn lot omarmen. Tekortkomingen tegenover de ridderlijke erecode werden gewetensvol bekeken. De ridderslag aan het einde van zijn opleiding was in zekere zin een rituele onthoofding, als teken dat de ridder zijn ego opofferde. Hij kreeg drie slagen op de schouders met het platte zwaard, maar als laatste werd het scherp van de snede tegen zijn hals gedrukt.

The Vigil exhibited 1884 John Pettie 1839-1893 Presented by the Trustees of the Chantrey Bequest 1884 http://www.tate.org.uk/art/work/N01582
Nachtwake voor de ridderslag (John Pettie – The Vigil)

De centrale levens- vraag voor de ridder was “Quid est deus?”, dat wil zeggen: “Wie is als God? Wie is God waardig?” Zo werd het ridderschap een zoektocht  naar zelfveredeling en naar het onuitspreke- lijke. Dit sloot aan bij mystici als Meister Eckhart en Jan van Ruusbroec, maar ook de Hermetica deed haar invloed gelden. Een belangrijk symbool van het zuivere ridderschap was de dame die de ridder vereerde en aan wie hij zijn eer had gewijd. Ridders voelden zich verbonden met de heilige Jozef van Arimathea, die na de kruisiging het bloed van Christus zou hebben opgevangen en bewaard. Rond dit heilige bloed ontstonden de legenden over de zoektocht naar de Heilige Graal.

In het ideale geval begon de opleiding van een ridder als hij zeven jaar was. Tot zijn veertiende diende hij dan als page bij een andere ridder, en werd daarna zijn schildknaap. Als hij 21 jaar werd kon hij dan tot ridder worden geslagen. In zijn opleiding leerde hij discipline en onderwerping aan wettelijk gezag, hij ontwikkelde zijn fysieke kracht en behendigheid, maar ook leerde hij hoofse manieren. Baldassare Castiglione schreef dat de ideale hoveling in de eerste plaats krijger moest zijn. Het ridderschap was echter niet voorbehouden aan de adel. Men werd dus geen ridder door geboorte. Omdat echter de uitrusting zo kostbaar was konden maar weinig mannen tot ridder opklimmen. Later probeerde de adel wel het ridderschap exclusief voor zich op te eisen, om zich te kunnen blijven onderscheiden van de derde stand, die sterk aan invloed won.

De toekomstige ridders werd de techniek van de zwaardkunst vaak bijgebracht door speciale leraren, die hun geheimen zorgvuldig bewaarden. Lang werd de techniek daarom alleen mondeling doorgegeven, in geheime en verborgen woorden. Ook toen de techniek aan het papier werd toevertrouwd gebeurde dit in cryptische verzen. Wat beschreven werd waren immers geen loutere sporttechnieken. Het ging om duels op leven en dood, met als doel de vijand zo snel mogelijk definitief uit te schakelen. Het ging er ook niet om dat het er elegant uit zag. De kortste en meest directe aanval had de voorkeur.

Walpurgis Fechtbuch
Een pagina uit het Walpurgis Fechtbuch

De Sint-Michielsgilde staat in de Duitse traditie van de vechtkunst. Het oudste manuscript over deze vechttechniek is het Walpurgis Fechtbuch, dat dateert uit 1320 ( online beschikbaar, bijv. bij de webstek wiktenauer.com ) Het bestaat uit afbeeldingen en raadselachtige Latijnse verzen. De gebruikte wapens zijn zwaard en beukelaar, een soort mini-schild. De meeste andere boeken gaan terug op de legendarische Meister Johannes Liechtenauer. Hij behandelt  in zijn ‘Zettel’ in de vorm van een gedicht het langzwaard, de dolk, worstelen en vechten te paard (‘Rossfechten’), in harnas, maar ook zonder bescherming (‘Blossfechten’).

Het edelste wapen in de Duitse school was het langzwaard, dat gebruikt werd als slagwapen en dat terugging op de Germanen. De dolk, als een steekwapen dat afstamde van het korte Romeinse zwaard, stond veel lager in aanzien. Later werd ook de rapier uit de Italiaanse school met een zeker misprijzen beschouwd omdat het een steekwapen was.

De oudere manuscripten over de vechtkunst zijn voor ons vaak raadselachtig, omdat wij veel van de achtergrond en de context missen, maar in 1570 publiceerde Joachim Meyer een educatie in de Duitse vechtkunst die voor ons moderne mensen goed te volgen is. In deze tijd had door het massale gebruik van vuurwapens de oorlogsvoering een mechanistisch, onpersoonlijk karakter gekregen. Vele mannen keken daarom met nostalgie terug op de middeleeuwen. Het waren nu voornamelijk burgers die zich aan de vechtkunst wijdden, als een weg tot zelfveredeling.

Deze weg wordt bij de Sint-Michielsgilde nog steeds beoefend, met als speerpunten vechten, studie, toewijding, zelfopoffering, concentratie en verdieping. De beoefenaars streven voortdurend naar bezieling en excellentie. Het gaat niet om een historische interesse, niet om een sport, maar om een kunst en levensweg. Een weg die alleen maar kan worden verstaan door hem te gaan.

Sint Michiel 2
Duel door leden van het St-Michielsgilde

Dit streven staat haaks op de huidige tijd, waarin de meeste mensen rondhangen zonder idealen. Een tijd zonder een kader waarbinnen een jongen kan opgroeien tot een man. Leeftijd is alleen nog maar een getal, een mens alleen maar een nummer, en indelingen worden alleen maar beoordeeld op functie en nut. Mensen vinden geen plek die overeenkomt met hun ware talenten. De vraag wat het goede is, en of we ergens toe geroepen zijn, wordt bijna nooit gesteld. Het doel van de meeste mensen lijkt alleen maar een heel lang, risicoloos en comfortabel leven. Om te groeien als mens moet je echter juist deze comfortabele zone verlaten. Daarom ook oefent de Sint-Michielsgilde met een vrij beperkte bescherming.

Wat ons opviel bij de vechtdemonstratie was dat de zwaarden niet zo onmenselijk zwaar waren als vaak beschreven in romans. Een zwaard weegt zo’n 1.3 kg, en zeker niet meer dan twee. Spaenjaers vertelde dat als je getraind bent het gewicht compleet verwaarloosbaar is, en je het zwaard gaat ervaren als een verlengstuk van je lichaam. Verder is het inslaan van de helm van een tegenstander, hoewel veelvuldig uitgebeeld in stripboeken, eveneens een fabeltje. Het verwonden van de vijand gebeurde meestal door een slag in een opening tussen de platen van zijn harnas. Tenslotte is een zwaard slechts voor een derde, aan de bovenkant, echt scherp. Dit maakt het mogelijk om het zwaard op nog veel andere manieren vast te pakken en te gebruiken, bijv. als een soort hamer.

Het was geweldig om te zien hoe de – opvallend jonge – leden van de Sint-Michielsgilde hun harde en tegelijk diepzinnige leerschool in praktijk brachten. Voor iedereen die denkt aan de beoefening van de vechtkunst lijkt mij de gilde een minstens even goede weg als bijvoorbeeld de bekende Japanse scholen. En ik zou zelf, als volksnationalist, geen mooiere weg weten om je te verbinden met je volk dan volgens de oeroude traditie van dat volk de weg te gaan van de krijger.
 
Alle afbeeldingen zijn afkomstig van wikimedia.org