Toen Fascisme nog links was

0
751

Door Druhtman

De term ‘fascisme’ is in deze tijd verworden tot een oppervlakkig scheldwoord voor alles wat lelijk is. Het is synoniem geworden voor racisme, seksisme en autocratische dictaturen. Als gevolg daarvan is de anarchistische en socialistische oorsprong van het fascisme inmiddels totaal vergeten.

Wat is fascisme?
Bekijken we het fascisme op een objectieve wijze als een aanduiding voor een bepaalde maatschappij vorm, dan ontstaat er een ander beeld. In de werken van de fascistische ideoloog Giovanni Gentile (1875-1944) is het uitgangspunt van het fascisme het maatschappelijke harmoniemodel. Mogelijke conflicten tussen groepen en klassen worden geïntegreerd in een maatschappijvorm, waarbinnen eenieder zijn eigen natuurlijke plaats en daarbij behorende zeggenschap heeft. De concrete uitwerking hiervan krijgt vorm in het corporatisme (gilde-socialisme).

Binnen dit systeem wordt de maatschappij verdeeld in verschillende beroepsgroepen of corporaties. Daarbinnen zijn zowel werkgevers als werknemers opgenomen, die gezamenlijk en op gelijkwaardige basis een vertegenwoordigend lichaam kiezen met beslissingsbevoegdheden. Deze direct-democratische opzet is oorspronkelijk geïnspireerd door het anarcho-syndicalisme, waarbij een grote rol weg gelegd wordt voor de syndicaten (vakbonden). Overkoepelend is er bij het fascisme dan nog een traditionele volksvertegenwoordiging aanwezig, die dit systeem controleert.

Kenmerkend voor Gentile zijn opvatting over fascisme is dat er binnen de staat een totale identificatie plaats vindt tussen de enkeling en het geheel, zodat de tegenstellingen die in andere staatsvormen bestaan in zijn totaliteit worden opgeheven en er – althans in theorie – dus ook geen onderdrukking meer plaats vindt. Gentile schrijft; “De staat is de wil van het individu zelf in zijn universele en absolute aspect en zo neemt het individu de staat in zich op; … de ware absolute democratie is niet het zoeken van een beperkte staat, maar het weglaten van de beperkingen voor de staat.”

Net als bij de anarchisten spreken de fascisten een aantal emotionele drijfveren in de mens aan. Er wordt een beroep gedaan op natuurlijk vitale en irrationele krachten; het mythisch besef wordt aangewakkerd; het nationale gevoel wordt gestimuleerd; het verleden geromantiseerd; het gebruik van geweld wordt gelegitimeerd, zo niet verheerlijkt. Deze aspecten zouden misschien toch nog wel in overeenstemming kunnen worden gebracht met het anarchisme, als er niet tegelijkertijd ook de verheerlijking van een charismatische leider optrad. Zo leidt in de praktijk het historische fascisme toch altijd tot onderdrukking van boven af.

Fascisme: een ketterij van links
Het fascisme werd grotendeels geboren uit de Italiaanse anarcho-syndicalistische beweging. Maar de idealen van het anarcho-syndicalisme werden uiteindelijk vanuit politiek opportunisme verraden. Reactionair-conservatieve krachten kaapten het fascisme, wat leidde tot een dictatoriale staat. Hoewel het fascisme grotendeels voortkomt uit anarchistische ideeën, werd het dus haar absolute antithese.

Dit neemt niet weg dat veel grote denkers vanuit hun anarchistische ideeën bij het fascisme terecht kwamen. Giuseppe Mazzini meende bijvoorbeeld door de arbeiders te organiseren een vrije Italiaanse staat te kunnen vestigen. Zijn interesse ging echter steeds meer uit naar die staat, dan naar de arbeidersorganisatie. De anarchist Michail Bakoenin, lange tijd Mazzini zijn grootste inspiratiebron, heeft hem om die reden herhaaldelijk scherp aangevallen.

Het meest treffende voorbeeld is wellicht de Franse revolutionaire syndicalist Georges Sorel. De grootste zorg van Sorel was het aan de macht brengen van de volksmassa’s. Naar zijn idee kon dit slechts met geweld gerealiseerd worden en is er een stimulerende mythe voor nodig om een revolutie in gang te brengen. Redelijke argumenten golden nu eenmaal weinig voor Sorel; de volkse driften moeten in beweging worden gebracht – de volksmassa moet geloven in een nieuwe maatschappij en moet geloven dat die door de algemene staking wordt teweeggebracht. Het syndicalisme van Sorel is dus allereerst een strijdmiddel, geen toekomst ideaal of uitgewerkte wereldbeschouwing. Net als voor de fascistische leider Benito Mussolini telt voor hem slechts de directe actie, de revolutionaire daad, de strijd op zichzelf, zonder een duidelijk vastgelegde doctrine of dogma.

Zowel bij anarchisten als fascisten zie je overeenkomsten in hun irrationele tendensen (een afwijzing van de almacht van de rede en een nadruk op de totale mens), op nationale gevoelens in allerlei vormen van bevrijdingsstrijd, op het accepteren van het gebruik van (bevrijdend) geweld, op romantische trekken in utopische maatschappij-idealen, op het afwijzen van bestaande democratische staatsvormen. De actie en beweging is alles, de dynamiek, vitaliteit van de daad – de directe actie.

De laatste Piratenstaat
Het anarchisme kent een lange traditie van utopische vrijplaatsen. De Commune van Parijs, de anarchistische communes in Spanje en Nestor Makhno zijn Vrije Zone in Oekraïne zijn wellicht de meest bekende voorbeelden hiervan. Minder bekend is het anarchistische project van Gabriele d’Annunzio in het interbellum: de Vrijstaat Fiume. Dit mag met recht een van de laatste echte piratenstaten genoemd worden. Men zou dit tevens de eerste fascistische staat kunnen noemen.

D’Annunzio, een decadente en eigenzinnige dichter en dandy, kwam als een held uit de as van de Eerste Wereldoorlog. Hij omringde zichzelf met een klein leger, die zichzelf de ‘Arditi’ noemden. In zijn drang naar avontuur belegerde hij na de oorlog Fiume en veroverde hij de toenmalige Joegoslavische stad zonder een enkel schot te lossen. Hij bood bij de Italiaanse premier de stad ter annexatie aan. Deze wees het aanbod af en noemde D’Annunzio een dwaas.

Hierop besloot D’Annunzio om de stad tot een onafhankelijke vrijstaat te verklaren. Samen met de anarcho-syndicalist Alceste De Ambris schreef D’Annunzio een grondwet. Vanaf nu zou muziek het fundamentele principe van de staat zijn. Er werd eindeloos gefeest; iedere ochtend werden er gedichten en manifesten voor gelezen vanaf het balkon, er waren dagelijkse parades, iedere avond werd er een concert gegeven en iedere nacht eindigde met een vuurwerkshow. Daarmee werd de vrijstaat een vrijhaven voor anarchisten, socialisten en andere revolutionairen. In Vrijstaat Fiume werd er een directe democratie gerealiseerd op basis van een gedecentraliseerd zelfbestuur. Het sociale experiment van D’Annunzio werd het vertrekpunt voor universele rebellie. Onder aanvoering van de anarchisten, futuristen, revolutionairen en andere avonturiers die massaal naar de stad waren gekomen, leek dat goed te lukken.

Nadat Italië een handelsblokkade ingesteld had om de economie van Fiume te ondermijnen, ontwikkelde D’Annunzio een alternatief economisch systeem dat grotendeels gebaseerd was op de piraterij. Met hun marine – grotendeels samengesteld uit anarchistische maritieme deserteurs – voerden ze kapingen uit tegen handelsschepen aan de kust. Ze noemden zichzelf de ‘Uscochi’, naar de lang verdwenen piraten die eens de kusten en eilanden in de regio onveilig maakten met hun rooftochten op Venetiaanse en Ottomaanse schepen.

De Italiaanse regering was furieus en dreigde met harde sancties tegen Fiume. Om de regering te gemoed te komen bood D’Annunzio aan 46 dure gestolen raspaarden terug te zullen geven. Echter, in plaats van de gestolen raspaarden retourneerde D’Annunzio 46 uitgemergelde boerenknollen. Een provocatie die velen tot de verbeelding sprak. In de decembermaand van 1920 zou het Italiaanse leger een definitief einde maken aan D’Annunzio zijn piraten utopie. Deze dag kwam bekend te staan als de “Bloedige kerst”.

Zoals zoveel andere Italiaanse anarchisten werd ook D’Annunzio uiteindelijk tot het fascisme verleid. Tegen de tijd dat hij in begon te zien dat dit een verkeerde keuze was geweest, was het al te laat. Vanwege zijn kritische houding en grote populariteit werd hij – mogelijk op bevel van Mussolini zelf – van een hoog balkon geduwd. Tot zijn dood in 1938 trok hij zich terug uit het publieke leven.

Een Italiaanse Nacht van de Lange Messen
Mussolini begon zijn politieke carrière niet als anarchist, maar als een socialist bij de Italiaanse Socialistische Partij (PSI). Na de oorlog brak Mussolini echter met het socialisme en stichtte hij de Fasci di Combattimento. Deze bestond grotendeels uit voormalige anarchisten, socialisten, syndicalisten en andere revolutionairen.

In 1922 werd deze beweging een politieke partij: de ‘Partito Nazionale Fascista’ (PNF). De PNF begon als een partij met een aanzienlijke hoeveelheid revolutionaire fracties. Invloedrijk waren de militante ‘Ras’, die (net als bijvoorbeeld de SA in Duitsland) een ‘tweede revolutie’ wilden doorvoeren, om zo de staatsinstituties te vervangen door zuiver corporatistische instituties. Daarnaast was er een grote fractie van linkse fascisten die een radicale nationaal-syndicalistische staat wilden vestigen. Daartegenover bevond zich het conservatief-reactionaire kamp van de fascistische reformisten, zoals Massimo Rocca en Giuseppe Bottai. Deze wilden compromissen sluiten met de burgerlijk-conservatieven om zo samen te werken met het gevestigde politieke systeem (kerk, leger, grootkapitaal).

Mussolini gebruikte de tegenstellingen binnen de PNF vooral om zijn eigen macht te vergroten en zijn persoonlijke ambities na te streven. Uiteindelijk sloot hij in 1926 een alliantie met het burgerlijk-conservatieve kamp. Na de crisis die volgde op de moord op de Italiaanse socialistische leider Giacomo Matteotti door fascistische militanten, presenteerden de revolutionaire fascisten binnen de PNF Mussolini een ultimatum: sticht nu een radicale corporatistische staat of je wordt vervangen door iemand die dat wel doet.

Als reactie hierop besloot Mussolini met de hulp van de gevestigde burgerlijk-conservatieve elites de invloed van de PNF in te perken. Vanaf 1926 begon Mussolini de regering en de partij te zuiveren van de revolutionaire fascisten. Een van de leidende revolutionaire kopstukken binnen de Partij, Roberto Farinacci, werd uit zijn functie ontheven. Officieel vanwege een nieuwe geweldsuitbarsting van de Squadristi, maar feitelijk omdat Farinacci aanstuurde op een ‘tweede revolutie’ om een corporatistische staat te vestigen. Hij werd opgevolgd door Augusto Turati, die de opdracht kreeg om de partij van radicale elementen te zuiveren.

Ondertussen werd er actief leden geworven onder de gevestigde burgerij: in een jaar steeg het lidmaatschap van de PNF van 640.000 leden naar 940.000 leden. Veel van de nieuwe leden kwamen echter voort uit lokale elites, die voorheen vooral tot de liberalen behoorden. Al snel waren er geen revolutionaire fascisten van het eerste uur meer te bekennen op belangrijke posities binnen de PNF. Meer dan 100.000 oud leden, ontdaan door Mussolini zijn beleid, stapten op. Met Turati zijn opvolgers, Giovanni Giuriati en Achille Starace, werd de PNF tot een nette burgerlijke partij gemaakt: van de arbeidersachterban die eens een aanzienlijk deel van de partij uitmaakte, was nog maar een minuscule fractie over. De fascistische partij was uiteindelijk getemd en gereduceerd tot een loyale beweging trouw aan Mussolini en de reactie.

Conclusie
In deze tijd waarin de ware oorsprong van de fascistische ideologie grotendeels verloren is gegaan, is een ideologische herbronning noodzakelijk. Na de oorlog veranderde de term “fascisme” van een exotische nieuwe Italiaanse revolutionaire stroming tot het symbool van het ultieme kwaad. Deze naoorlogse visie is tot op de dag van vandaag dominant onder linkse intellectuelen. Het fascisme wordt gezien als een instrument van het kapitaal dat als het niet langer via democratie kan regeren het fascisme los laat. Zoals eerder beschreven zit daar zeker een kern van waarheid in: wat eens begon als een revolutionaire stroming, werd uiteindelijk in zijn geheel gekaapt door de krachten van de reactie; door de gevestigde burgerlijk-conservatieve orde.

Maar zoals altijd is de realiteit complexer. Het fascisme werd geboren als het kind van het anarchistische, socialistische en syndicalistische idealisten, die na de Eerste Wereldoorlog tot de conclusie kwamen dat het Marxisme gefaald had. Aanvankelijk waren haar revolutionaire aspiraties oprecht. De idealen van het anarcho-syndicalisme werden echter verraden, wat uiteindelijk leidde tot een dictatoriale staat. Fascisme werd gekaapt door de krachten van het reactionair-conservatisme en werd daarmee uiteindelijk een middel voor de instandhouding van het burgerlijke kapitalistische systeem. Aanvankelijk was het fascisme dus een potentiële dynamische revolutionaire theorie, maar het autonome radicale element werd al snel ingepikt door reactionaire conservatieve krachten en uiteindelijk ingekapseld door het kapitalisme.

We hoeven niet het wiel opnieuw uit te vinden en kunnen conclusies trekken uit het verleden. De proto-fascisten streefden oprecht naar een rechtvaardige en harmonieuze maatschappij, waarin elke volksgenoot vertegenwoordiger zou zijn van de volkswil. Om dat te bereiken wilden ze de gevestigde burgerlijke orde en het kapitalistisch systeem omverwerpen ten gunste van een vrije proletarische natie. Een natie die het volk representeert waaruit deze bestaat. Een gedecentraliseerde samenleving die streeft naar een zo groot mogelijke participatie van allen die er deel van uit maken en waarin eenieder in principe vrij is. Een samenleving waarbinnen de productiemiddelen volkseigendom zijn en ter beschikking staan van associaties van vrije producenten.

Een herbronning naar die idealen van weleer, kan als grootse inspiratie dienen voor de nationalistische beweging van de toekomst. Een revolutionaire beweging die geen compromissen sluit en op eigen kracht in staat is om de traditionele grenzen van links en rechts te overstijgen.