Spengler: Het Ontstaan van een Cultuur uit het Goddelijke (Deel I)

0
98
Spengler - Het Goddelijke Ontstaan van een Cultuur (Deel I) - Imperium book
‘Imperium’ van Francis Parker Yockey herneemt de inzichten van Oswald Spengler

De historicus Oswald Spengler zag in de geschiedenis van een cultuur een onontkoombare levenscyclus. Een cultuur bloeit op door de inspiratie van  een unieke ervaring met het Goddelijke, komt tot volwassenheid, en sterft dan weer af. In welke fase zouden wij nu verkeren? En wat zegt dit over onze verhouding tot het Goddelijke of spirituele?

Dit is een essay geschreven door Christopher Pankhurst dat eerder in het Engels is gepubliceerd op Counter-Currents, zoals HIER is te lezen. De vertaling is opgedeeld in meerdere delen. Dit is deel I.

Oswald Spengler’s radicale bijdrage aan de filosofie van de geschiedenis was om op te merken dat verschillende Culturen en Beschavingen discrete levensvormen zijn en dat ze allen een bepaalde levensverwachting hebben. De lineaire progressie van de geschiedenis, van het Stenen Tijdperk tot het hedendaagse Westerse liberalisme, is een mythe. Er is geen rode draad die dwars door de geschiedenis van de hele mensheid loopt. Integendeel, Culturen worden geboren, groeien tot adolescentie, worden oud en sterven uiteindelijk. De lente van een bepaalde Hoge Cultuur is, voor Spengler, vergelijkbaar met de lente van een andere Hoge Cultuur, niet met andere samenlevingen die toevallig in hetzelfde tijdsgewricht bestaan.

Dit punt kan duidelijk worden gemaakt via analogie met het menselijk organisme. Een kind dat vandaag de dag leeft is gelijk aan een kind dat leefde in de Romeinse tijd in de zin dat ze beiden hetzelfde stadium van ontwikkeling met elkaar delen. Het is de Lotsbestemming van beide kinderen om tot adolescentie te groeien, om vervolgens te verzwakken tot seniliteit en uiteindelijk de dood. Deze Lotsbestemming kan gestopt worden door ziekte, geweld, of honger, zodat het kind nooit de volwassenheid bereikt, maar desalniettemin blijft het de Lotsbestemming van een menselijk organisme om een dergelijk proces van groei, via wasdom tot uiteindelijke dood te volgen.

Binnen dit proces van groei maakt Spengler een onderscheid tussen twee verschillende stadia: de Cultuur en de Beschaving. De Cultuur is de jonge en energieke fase, en vormt de symbolische imperatieven van zijn geboorte tot hoge kunst en technologische innovaties naar gelang de eigen wereldbeschouwing. Onvermijdelijk zullen deze hoge vormen hun vernieuwende krachten verliezen, en dit is het moment dat het stadium van de Beschaving zijn ingang heeft gevonden. Beschaving groeit logischerwijs voort uit Cultuur. Het is een ontwikkeling naar een meer geürbaniseerde levensstijl waar mensen naar nieuwigheid en kosmopolitisme zoeken.

Spengler identificeert het hoogtepunt van de Westerse Cultuur als de Barok, en de uitzonderlijke artistieke vormen die uitdrukking konden geven aan de essentie van die Cultuur zoals het contrapunt in de muziek en de schilderkunst met olieverf. Na die piek zijn we het democratische stadium van de ontmanteling van de Beschaving in gegaan. Spengler stelt  helder dat dit stadium gedomineerd wordt door de macht van het geld. Het is tevens geassocieerd met de opkomst van rationalisme, dat in de Westerse Cultuur geïdentificeerd kan worden als de periode van de ‘Verlichting’. In dit democratische stadium groeien de steden en sterven volkse tradities uit. Intellectuele innovatie komt in zwang terwijl religie verdwijnt. De Culturele vormen die ons omgeven in het huidige tijdperk zijn afgebrokkeld en gedegenereerd volgens de logische wijze van de eerder beschreven organische groei en afzwakking, zodat we nu slechts nog grillen, mode en opinies hebben die zich voordoen als uitingsvormen van authentieke Cultuur.

Deze vorm van plutocratische democratie kan slechts een beperkte tijd bestaan, aangezien het zichzelf snel zal uitputten in een rusteloze zoektocht naar nieuwigheid en verandering. Uiteindelijk wordt iedereen verveeld met de oppervlakkige machinaties van dit type maatschappij en begint zich een verzuchting te vormen naar iets dat dieper is en meer betekenisvol, een terugvinden van de roep van het bloed:

Dan ontwaakt er eindelijk een diep verlangen naar de oude en waardige traditie die nog sporadisch tekenen van leven vertoont. Men wordt gedreven door walging van de geld-economie. Ze hopen op verlossing van ergens of iets, op een bepaald waar ideaal van eer en ridderlijkheid, van innerlijke adel, van onzelfzuchtigheid en plichtsbesef. En nu ontwaakt de tijd dat de vormgevende krachten van het bloed, welke het rationalisme van de Megalopolis had onderdrukt, zullen ontwaken vanuit de diepte. [1]

Dit vormt het begin van het Caesaristische tijdperk. Dit tijdperk komt voort uit de democratieën maar verdringt hen. Het wordt gekarakteriseerd door een expansieve Imperialistische impuls om het eigen wereldbeeld binnen een zo groot mogelijk bereik op te kunnen leggen. De innerlijke ontwikkeling van het Culturele leven heeft op dat moment al zijn volle wasdom bereikt, dus van daaruit komen geen significante ontwikkelingen meer. Het verlangen naar iets dat meer betekenisvol is wordt verzadigd door een terugkeer naar eerdere vormen van Cultuur die het democratische tijdperk vooraf waren gegaan. Deze vormen zijn niet langer bij machte om zich te ontwikkelen, maar door ze opnieuw toe te passen kan de bevolking van de Imperialistische Beschaving nog één keer een gevoel van edelheid en de verbintenis met het goddelijke ervaren dat verloren was gegaan.

Spengler noemt deze terugkeer naar eerdere vormen een “Tweede Religiositeit.” Deze eerdere religieuze impulsen zijn nu afgestompt maar zij geven nog steeds voldoende inspiratie om de drijfkracht te zijn voor het nieuwe Imperium, aangezien ze tenminste paradigmatisch superieur zijn aan de heerschappij van het geld en de trivialiteit. In deze specifieke fase kunnen we een overvloed aan nieuwe sekten zien ontstaan nu de mensen geleidelijk hun vertrouwen verliezen in het tijdperk van de democratie en het geld, en op zoek gaan naar iets met eeuwigdurende waarde:

We hebben in de Europees-Amerikaanse wereld van vandaag de occulte en theosofische oplichters, de Amerikaanse ‘Christian Science’, het onechte Boeddhisme van de salons, de religieuze ‘arts-and-crafts’ handeltjes ( in Duitsland zelfs nog erger dan in Engeland) die zich richten op groepen en sekten met een Gotische, laat-Klassieke of Taoistische sfeer. Overal is het slechts een spel met mythen waar niemand oprecht meer in gelooft, een beproeven van cultussen waarvan gehoopt wordt dat die de innerlijke leegte kunnen vullen. Materialisme is oppervlakkig en eerlijk, nep-religiositeit oppervlakkig en oneerlijk. Maar het feit dat het laatste überhaupt al mogelijk is betekent de voorbode van een nieuwe en oprecht zoekende geest die zich – eerst zachtjes, maar al snel met nadruk en openlijk – zal uiten in het beschaafde wakende bewustzijn. [2]

Zodra de Imperialistische fase is voltooid betekent dit meteen dat deze Cultuur is geëindigd. De populatie die binnen de grenzen van het nu niet meer functionerende Imperium leeft zal worden overlopen door barbaren en terugvallen naar een ahistorisch boerenbestaan. Deze boerenstand zal voortbestaan op een wijze die recht doet aan het boerenbestaan en zal de geschiedenis niets te bieden hebben. Maar binnen deze boerenstand zal er noodzakelijkerwijs een behoefte bestaan om de aanwezigheid van het Goddelijke te begrijpen en te verwoorden:
Hij voelt om zich heen een nagenoeg onbeschrijfbaar vreemd leven met onbekende krachten, en herleid de bron van deze effecten tot het “Goddelijke,” tot de Ander, aangezien deze Ander ook Levenskracht bezit… Het is belangrijk om te beschouwen hoe het bewustzijn van iedere Cultuur op intellectuele wijze de eigen “Goddelijke” bron tot uiting brengt. Het kent de bronverschijnselen namen toe en probeert hen daarmee te begrenzen en beheersen. Dankzij de Naam die gegeven is zijn de bronverschijnselen nu onderhevig aan de intellectuele macht van de man die Naamgever is. Het uitroepen van de juiste naam (in de natuurwetenschappen, het juiste concept) is een soort bezwering. [3]

Dit verlangen naar een vorm van hogere uitdrukking, van een betekenisvolle beschrijving van blijvende idealen, vindt een uitlaatklep in de opkomst van nieuwe religiositeiten en sekten. In deze voedingsbodem van mystiek verlangen kan vervolgens een nieuwe Cultuur wortel schieten die zijn eigen bijzondere wereldbeschouwing en leefvorm kent. Van deze perceptie van het Goddelijke kan een nieuwe Culturele vorm geboren worden en op deze wijze zal een nieuwe cyclus van geboorte, groei, wasdom en afsterving opnieuw beginnen in een nieuwe vorm.

Spengler’s visie op de geschiedenis heeft uit alle hoeken kritiek gekregen. Vele critici hebben het element van onafwendbaarheid aangevallen dat besloten ligt in Spengler’s maatschappelijke model. Theodor Adorno ontkende dat de historie noodzakelijk het patroon volgt dat Spengler beschreven had, en hij zag Spengler als een pleitbezorger voor de neergang die hij zelf beschreef. Voor Adorno – een belangrijke intellectuele bron voor veel krachten binnen Nieuw Links – is Spengler medeplichtig aan de historische processen die hij beschrijft omdat hij weigert te accepteren dat de uitwerking van een bepaalde Cultuur kan veranderen. Volgens het model van Spengler is de levensloop van een Cultuur bepaald door de imperatief van zijn interne logica en de organische beschouwing van een beperkte levensduur. Voor hem kan de duur van deze levenscyclus onmogelijk meer worden verlengd dan dat van een mensenleven verlengd kan worden tot 300 jaar. Zijn beroemdste zinsnede in dit opzicht was dan ook “Optimisme is lafheid.” [4] Adorno weigert het idee te accepteren dat er een onafwendbare neergang is die niet te stoppen is. Vanwege zijn afschuw van het Caesarisme dat hij herkende in Hitler, claimt Adorno dat de Imperialistische fase van het Westen juist een bewuste keuze is om te vervallen in barbarij en onderdrukking. Hij stelt dat de Culturen uit het verleden uitstierven omdat ze gebaseerd waren op uitbuiting, en daarom een noodzakelijk innerlijk evenwicht misten. [5] De mogelijkheid die het Communisme bood, zoals beschreven door Marx, maakte het niet meer noodzakelijk om toe te geven aan de krachten die Spengler had beschreven:

In een wereld vol beestachtig en onderdrukt leven wordt decadentie de uitvlucht van een potentieel beter leven door het afzweren van de verbintenis met een bepaalde cultuur, van zowel het vulgaire als het verfijnde. De machtelozen, die volgens Spengler opzij dienen te worden gezet en verdelgd door de geschiedenis, zijn de negatieve belichaming binnen de negativiteit van deze cultuur van het alles dat belooft, hoe krachteloos dan ook, om het dictaat van de cultuur te doorbreken en een einde te maken aan de horror van de pre-historie. In hun protest ligt de enige hoop besloten dat het Lot en pure macht niet het laatste woord zullen hebben. Wat de ondergang van het westen tegen kan gaan is niet een heropgeleefde cultuur maar de utopie die stilzwijgend besloten ligt in het beeld van zijn ondergang. [6]

Wellicht dat Adorno hier gelijk heeft. Tenslotte is de toevlucht tot decadentie het sterkst zichtbaar bij zijn volgelingen in de voormalige Culturen van het Westen, ook al is er tot op heden nog geen zicht op zijn utopia. Voor Spengler echter zijn zulke afleidingen maar al te voorspelbaar in dit stadium van Cultureel verval. Het bestaan van decadentie, communisme, of andere intellectuele modeverschijnselen is iets dat gesteund kan worden of bestreden, maar het is niet iets dat de grotere stroom der Geschiedenis kan beïnvloeden:

Of deze doctrines nu “waar” zijn of “onwaar” – we moeten herhalen en benadrukken dat deze vraag zonder betekenis is voor de politieke historie. De weerlegging van, bijvoorbeeld, Marxisme behoort tot de ruimte van academische betogen en publieke debatten, waar iedereen altijd zelf juist is en zijn tegenstander het altijd fout heeft… De macht die deze idealen in hun abstractie hebben gaat echter nauwelijks verder in de tijd dan de twee eeuwen die behoren tot die van de partijpolitiek, en hun einde komt niet van een weerlegging maar van pure verveling… Geloof in een ideologisch programma was het markeringspunt en de glorie van onze grootvaders – in onze kleinzonen zal het een bewijs zijn van provincialisme. Daarvoor in de plaats ontwikkelt zich nu al de vrucht van een nieuwe maar berustende vroomheid, ontsprongen aan een gemarteld geweten en spirituele honger, wiens taak zal zijn om een nieuw Herwaarts te vinden dat zoekt naar geheimen in plaats van hard-gestaalde concepten, en het vindt deze in de diepten van de “Tweede Religiositeit.” [7]

Hoewel Adorno de “universele structuur” van Spengler verafschuwt en de toepassing van de prognose op de Westerse Cultuur afwijst, steunt zijn eigen Nieuw Linkse formule op Marx’ historische onafwendbaarheid en het specifieke model van de geschiedenis die hij verkondigde – een model dat gebaseerd is op universele toepasbaarheid. De kritiek van Adorno op Spengler lijkt sterk beïnvloed door een specifieke fase van de cyclus waar hij zelf in leefde, en is wellicht besmet met de optimistische lafheid die karakteristiek is voor utopisten elders.

Een andere denker die de onafwendbaarheid van Spengler’s model afwijst komt van het andere eind van het spectrum dan Adorno. In zijn introductie tot Yockey’s Imperium [8], stelt Willis Carto dat de uiteindelijke ondergang van het Westen vermeden kan worden dankzij de unieke technologische innovatie waarover het Westen beschikt. Meer in specifiek, suggereert Carto – die schreef aan het begin van het ruimtevaart tijdperk – dat het verkennen van de ruimte de expansiedrift van de Caesaristische fase kan vervullen zonder dat het zou resulteren in verzwakking vanwege de rassenvermenging die na de Imperialistische fase zou volgen. Voor Carto is deze rassenvermenging de organische oorzaak voor de ondergang van een Cultuur. Elke Cultuur eindigt met een universalistische, Imperialistische fase door de innerlijke logica van zijn levensvorm. Dit, zo accepteert Carto, kan en hoeft niet vermeden te  worden. Met de komst van de ruimtevaart moet het echter mogelijk zijn om de innerlijke drang voor Faustiaanse expansie te vervullen en tegelijkertijd de ondergang door rassenvermenging van alle vorige Culturen te vermijden. Carto beschouwt het als de Lotsbestemming van de Wensterse Mens de ruimte te koloniseren en een galactisch Imperium te creëren.

Dit is een vindingrijk antwoord op Spengler’s pessimisme aangezien het de noodzaak van de historische processen erkent die door Spengler worden aangewezen, maar deze meteen in lijn probeert te brengen met een transcendent doel dat recht doet aan de drang naar onbegrensde ruimte dat het kenmerk is van de Faustiaanse geest. Maar niemand die schreef in 1960 kon voorzien hebben wat een beperkte toekomst die ruimtevaart zou blijken te hebben. Stanley Kubrick’s 2001: A Space Odyssey, uitgebracht in 1968, gaf een voorzichtige voorspelling van intelligente, bewuste computers die zouden helpen bij een bemande vlucht naar Saturnus. Dit scenario was gebaseerd op de beste technologische voorspellingen die toentertijd beschikbaar waren en die nu ongelooflijk optimistisch lijken. Hoe verder we komen op het pad van dit laatste tijdperk van onze Westerse Cultuur, hoe accurater het pessimisme van Spengler lijkt.

In tegenstelling tot de kritiek van Adorno op Spengler deelt Carto veel van de basis aannames van Spengler en hoopt hij mee te werken in de implementatie van de volgende fase van de cyclus. Vanuit ons perspectief lijkt het steeds minder waarschijnlijk dat er een toekomst voor onze Cultuur is. Is er geen ruimte voor enig sprankje hoop?

Er is een bepaalde onzekerheid over welke fase van de cyclus we nu precies in leven. In het midden van de 20e eeuw leek het duidelijk erop dat de Caesaristische fase was begonnen, toen verschillende Europese leiders hun democratische systemen omvormden tot regimes gebaseerd op pre-democratische idealen. De Amerikaanse hegemonie vanaf 1945 kan ofwel gezien worden als een beëindiging van de Caesaristische fase, ofwel juist als de diepere vervolmaking ervan, in de wereldwijde verspreiding van Westerse ideeën. Deze interpretatie, als hij correct is, ondermijnt het model van Spengler, aangezien dit zou wijzen op het bewerkstelligen van het Imperium juist via de macht van het geld, in plaats van dat het Caesarisme de macht van het geld overwint. Yockey zag zeker het jaar 1945 als het begin van een ‘pseudomorfose’, een soort ziekte die ervoor zorgde dat het Culturele organisme het pad verliet dat overeenstemde met  zijn Lotsbestemming. Volgens Yockey was deze ziekte een gevolg van de Culturele vervorming die door Joodse elites in Amerika was opgelegd, nadat zij dit land hadden overgenomen en het voor eigen gewin regeerden. Spengler had historische pseudomorfose beschreven als het opleggen van een oudere Culturele vorm op een jongere, en meer vitale, Culturele vorm.

Indien we aannemen dat de Globale Wereld Orde die vorm lijkt te krijgen onder Amerikaans leiderschap, in feite een pseudomorfische vervorming is van de Lotsbestemming van het Westen, zijn er twee mogelijke scenario’s: de eerste is dat de Caesaristische fase is gedwarsboomd, hetgeen betekent dat de Cultuur al dood is, en dat er geen mogelijkheid bestaat van Culturele opleving; de tweede is dat de Globale Wereld Orde slechts een verlenging is van de democratische heerschappij van het geld, dat het Caesarisme van de jaren 1930 te vroeg kwam, en dat we nog het begin moeten zien van de authentieke Imperialistische fase van onze Cultuur. We gaan dus ofwel een ahistorisch verval tot een algemene boerenstand tegemoet, of we zijn in afwachting van een Imperialistische vernieuwing van de eerdere vormen van onze Cultuur.

Het interessante hieraan is dat we in beide scenario’s in een tijd leven waarin we mogen verwachten aanzetten te zien tot een nieuw verlangen naar het Goddelijke. Voordat we de mogelijkheid van het ontstaan van zulke nieuwe spirituele vormen behandelen, is het behulpzaam om een korte schets te maken van de artistieke ontwikkeling van de Westerse Cultuur. De intentie is simpelweg om de interne logica van het verval van het Westen te kunnen identificeren. [wordt vervolgd]

 

Alle afbeeldingen zijn afkomstig van wikimedia.org


[1] Oswald Spengler, The Decline of the West (New York: The Modern Library, 1962), 396.

[2] Ibid., 347.

[3] Ibid., 200.

[4] Oswald Spengler, Man and Technics (European Books Society, 1992), 72.

[5] Theodor W. Adorno, Prisms (Cambridge, Mass.: MIT Press, 1981), 71.

[6] Ibid., 72.

[7] Spengler, The Decline of the West, 389-91.

[8] Ulick Varange (Francis Parker Yockey), Imperium (Sausalito, Cal.: Noontide Press, 1962).