Nationalisme en de België-kwestie

Het ontstaan van België

In gesprekken met andere volksnationalisten in Nederland merk ik vaak dat er niet veel kennis is over het nationalisme bij onze zuiderburen: de Vlamingen kennen een strijd die al veel langer gaande is dan het volksnationalisme in Nederland. Nadrukkelijk demografische problemen ontstonden immers pas in de jaren ’60 in Nederland. De Vlamingen kennen echter een ander historisch verloop, waardoor ze uiteindelijk in 1830 verstrikt zijn geraakt in de anti-nationale constructie die België heet. Maar hoe is deze staat tot stand gekomen? Hoe zijn er staatsgrenzen tussen de Vlamingen en Nederlanders beland? Deze vragen worden behandeld in dit artikel, wat het eerste deel is van een reeks. In het tweede deel ga ik in op de Vlaamse beweging in de 20e eeuw, en de radicalisatie die daarbinnen heeft plaatsgevonden in de loop der tijden, tot aan de staat van België dag van vandaag.

Het eerste boek dat ik wil behandelen heet ‘Het Verloren Vaderland’, geschreven in 2005 door Karim van Overmeire. Van Overmeire is inmiddels een veteraan in de Vlaamse beweging: hij heeft gezeteld in zowel het federale als Vlaamse parlement, voor Vlaams Blok/Vlaams Belang en tegenwoordig de N-VA. Ook was hij ooit voorzitter van de NSV en lid van Voorpost. Tegenwoordig is zijn enige politieke functie in de gemeenteraad van Aalst, na zichzelf niet meer verkiesbaar te stellen voor het Vlaams parlement dit jaar.

Het boek behandelt in zo’n 300 pagina’s de geschiedenis van het ‘Verenigd koninkrijk der Nederlanden’, wat in de periode 1815-1830 de huidige Benelux een geheel liet vormen onder de Oranje-dynastie. Hier gaat een woelige periode aan vooraf, gedreven door revolutionair Frankrijk onder leiding van Napoleon Bonaparte. Het eerste deel van het boek behandelt de voorgeschiedenis van het huidige Nederland en Vlaanderen. Het uitroepen van de onafhankelijkheid door Willem van Oranje had als doel om de gehele Nederlanden, inclusief Vlaanderen, te bevrijden van de Spanjaarden. Zuid-Nederland bleek echter beter in greep van de Spanjaarden dan het Noorden. Op de zogeheten ‘Unie van Atrecht’ in 1579 wordt een groot deel van de moderne zuidgrens van Nederland al vastgelegd. Na een tijd in handen te zijn geweest van de Oostenrijkse Habsburg-dynastie valt Frankrijk in 1792 het huidige België binnen, en wordt het in 1795 bij Frankrijk aangehecht. In 1795 wordt ook Nederland zelf binnengevallen door Frankrijk, en wordt hier de Bataafse Republiek uitgeroepen. Dit zal ook de vlucht van de Oranje-dynastie naar Engeland tot gevolg hebben.

Napoleon en Waterloo

Napoleon Bonaparte zet in de hierop volgende jaren Europa op zijn kop. Nederland verandert kort in een koninkrijk door de aanstelling van Lodewijk, broer van Napoleon zelf, als koning. Over Napoleon kan veel geschreven worden, maar ik spoel door naar het einde: in 1812 maakt Napoleon de vergissing om met zijn leger Rusland binnen te trekken, en verslagen te worden door Generaal Winter. In 1813 komt er onder de winnende coalitie van landen een wens op om de Oranje-dynastie aan de troon van Nederland te helpen.

Ook komt in deze periode de hereniging van Noord- en Zuid-Nederland weer ter sprake. De Europese grootmachten wensen Frankrijk in te dammen door het met sterke staten te omsingelen. Als gevolg ziet men aan noordzijde van Frankrijk een Groot-Nederland als wenselijk. Dit wordt uiteindelijk vastgesteld op het Congres van Wenen (1814-1815), waar Willem (1772-1843) ook nog het groot-hertogdom Luxemburg krijgt als vergoeding voor het verlies van Nassau (het oude grondgebied van de Oranjes). In feite krijgt Willem de hele huidige Benelux toebedeeld van de Europese grootmachten. Niet slecht voor het winnen van een oorlog waar je amper aan meegevochten hebt.

Er ontstaat echter weer een probleem, vanuit Nederlandse optiek, in Frankrijk. Na de overwinning op Napoleon wordt deze naar Elba, een klein eiland vlakbij Corsica, verbannen. Deze ontsnapt echter in de nacht van 26 op 27 februari 1815, en zeilt vervolgens naar Frankrijk. De net herstelde Bourbon-dynastie maakt geen schijn van kans: vrijwel alle militaire bevelhebbers en hun manschappen lopen over naar Napoleon, die zichzelf tot keizer verklaart. Het eerste doel van Napoleon om na de consolidatie van Frankrijk buit te maken is Brussel. Willem, die op 15 maart 1815 gekroond wordt als koning der Nederlanden, moet deze keer wel in actie komen als zijn nieuw gevormde koninkrijk enig kans van slagen wil hebben. Dit zal uiteindelijk leiden tot de slag bij Waterloo op 18 juni 1815, waarbij de Nederlandse troepen onder de Britse vlag van hertog Wellington strijden en de Fransen verslaan. De militaire tactieken en bewegingen worden uitgebreid beschreven in het boek, maar laat ik hier terzijde.

Demografische en religieuze implicaties

Nu de directe Franse dreiging door de overwinning bij Waterloo achter hem ligt, wordt de staat van het verenigde koninkrijk opgemaakt. De twee delen hebben zich in de voorafgaande eeuwen heel anders ontwikkeld: Noord-Nederland, al eeuwen onafhankelijk, heeft de Protestantse Reformatie ondergaan. Twee op de drie Noord-Nederlanders is Protestant. Vergelijk dit met het Zuiden, waar Katholicisme alom aanwezig is gebleven onder Habsburg, en het eerste grote verschil is daar.

Verder is het Zuiden in cultureel opzicht veel meer op Frankrijk gericht. De gehele Waalse bevolking spreekt al Frans, en de Vlaamse elite in Brussel en elders doet dit ook. Daarnaast is de economische nadruk in beide gebieden anders: Noord-Nederland is voornamelijk rijk geworden door de handel en de scheepvaart, terwijl het Zuiden het van de industrie en de landbouw moest hebben. Ook in dit opzicht waren de belangen soms tegengesteld, bijvoorbeeld als het ging om voorstellen voor protectionistische maatregelen om de industrie te beschermen.

Deze verscheidene factoren leiden tot een demografische schok, gevoeld door beide kanten. Noord-Nederlanders moeten eraan wennen dat een meerderheid van de bevolking van het land nu plots Katholiek is, door de toevoeging van het Zuiden. Ook waren Noord-Nederlanders zelf plots de minderheid. In 1815 waren er zo’n 2 miljoen Noord-Nederlanders, en wel 3,4 miljoen Zuid-Nederlanders.

Dit had allemaal grote gevolgen voor de politieke indeling. Nederland was een koninkrijk, dus van democratie was geen sprake. Vertegenwoordigers in de Tweede Kamer werden aangeduid door de Provinciale Staten, die voornamelijk van adellijke en stedelijke afkomst waren. In een proportioneel systeem voor de Tweede Kamer zou het Zuiden de overhand krijgen door haar grotere bevolking. Dit was voor het Noorden onaanvaardbaar, dus werden de zetels 50/50 verdeeld onder Noord en Zuid. Deze indeling leidde vaak tot blok-vorming van beide kanten, waarbij geen beslissingen genomen konden worden.

Ook de vrijheid van godsdienst die opgenomen werd in de grondwet werd door het Zuiden op de hak genomen. Het zat de Katholieken niet lekker om op gelijke hoogte gezet te worden met de ‘ketterijen uit het Noorden’. Daarnaast liep de keuze voor een hoofdstad stroef. Brussel lag te ver van huis volgens de Hollanders, en Den Haag was ‘te provinciaal’ volgens het Zuiden. Uiteindelijk worden beide plaatsen tot hoofdstad verklaard. Om al deze controversiële aspecten binnen een grondwet goedgekeurd te krijgen wordt er op ingewikkelde wijze gesjoemeld met aanwezige vertegenwoordigers. Liberalen en Katholieken kunnen dit schouwspel niet waarderen, en beschuldigen de koning en zijn ministers op spottende wijze van ‘Hollandse rekenkunde’.

Facties versus de koning & taalpolitiek

Koning Willem heerst over de Nederlanden tijdens de hele periode 1815-1830. In deze gehele periode komt het verzet tegen de Oranje-dynastie systematisch uit dezelfde hoeken. De Katholieken zagen de ketters in het Noorden op religieus front niet zitten, en konden op veel steun in het Zuiden (en soms in het Noorden) rekenen. Ook konden zij het op een persoonlijk vlak niet vinden met de stijl van deze koning. Willem wordt beschreven als een sober, hardwerkend man, die het niet zo had op de pracht en praal waaraan je denkt bij een koning: een Protestand in naam en handelen.

De Katholieken vonden vaak een bondgenoot in de Fransgezinden en de liberalen, die vrijwel volledig samengevoegd kunnen worden in een categorie. De Fransgezinden waren in sommige gevallen letterlijk Fransen, en in andere gevallen afkomstig uit Wallonië of de Vlaamse elite. De liberalen wisselen nog wel eens van kamp tijdens het bewind van Willem: soms als trouwe bondgenoot wanneer Willem de Katholieke kerk bestrijdt, en als tegenstander vanuit de monarchie-kwestie en de maatregelen rondom vernederlandsing.

De grootste splijtzwam van de verenigde Nederlanden was de taalpolitiek die door Willem gevoerd werd. Nederlands was de enige acceptabele taal in zowel Noord-Nederland als Vlaanderen. Hierin werd hij vooral bijgestaan door zijn minister van Justitie, Felix van Maanen. Deze naam was mij volledig onbekend voor het lezen van dit boek, maar hij blijkt naast de koning de meest harde voorvechter te zijn geweest voor de gevoerde taalpolitiek. Hij ontpopte zich in de periode 1815-1830 tot een soort rijkskanselier, omdat zijn bevoegdheden zich veel verder strekten dan slechts Justitie. Hierdoor werd hij het meest gehate figuur in het Zuiden tot aan de scheuring in 1830.

De vernederlandsing werd op vele fronten aangepakt in die periode. Allereerst werd er gewerkt aan het onderwijs. Het Zuiden kende die tijd een grote achterstand op het Noorden als het ging om zaken als scholing en geletterdheid. Willem liet de infrastructuur voor scholen aanleggen, waar in het Nederlands (of het locale dialect) gedoceerd moest worden. Aan Franstalige leraren die het Nederlands niet machtig waren, werd een tijdlimiet gegeven waarin zij Nederlands machtig moesten worden. Problemen werden vooral gevonden in Wallonië en Brussel. Soortgelijke maatregelen werden genomen voor de rechtspraak en ziekenhuizen.

Er waren ook problemen in Vlaanderen met de gevoerde taalpolitiek, al waren deze van een heel andere aard: in de tijd van de Bataafse Republiek was er in Noord-Nederland een officiële spelling en spraakkunst vastgesteld, de zogenaamde Siegenbeek-spelling. Deze was voornamelijk op het Hollands gebaseerd. De Vlamingen, die met hun dialecten vrij ver van deze gestandaardiseerde taal af lagen, waren niet blij met deze oplegging van het ‘Hollands’ vanuit het Noorden. Het probleem voor de Vlamingen was echter dat er destijds geen gestandaardiseerde ‘Vlaamse taal’ was, ter vergelijking met de Siegenbeek-spelling. Tijdens de periode 1815-1830 werden er aanpassingen ingevoegd bij de Nederlandse spellingen voor Vlaamse variaties.

Brussel als broeinest

De kritiek van de Katholieken op het beleid van koning Willem kwam geografisch gezien uit een groot gebied. Echter, de kritiek van de Fransgezinden en liberalen was vooral afkomstig uit Brussel. Deze stad stond in die tijd bekend als het grootste revolutionaire broeinest in West-Europa. Liberalen die verbannen werden uit Frankrijk nadat de Bourbon-dynastie opnieuw opgestaan was, streken vrijwel altijd neer in Brussel. Andere koningen en leiders drongen er op aan bij Nederland om deze situatie te kalmeren. Hierin was de Nederlandse administratie helaas vrij laks, wat grote gevolgen zou hebben binnen afzienbare tijd. Ook de Waalse en Vlaamse liberalen en Fransgezinden wisten Brussel al snel te vinden.

Vanuit Brussel wordt deze onrust verspreid door middel van kranten en bladen, uiteraard in het Frans uitgegeven. Deze publicaties werden vaak gesteund met geld uit Frankrijk. Oplages in die tijd stelden niet veel voor, als je de cijfers vergelijkt met vandaag: de meest populaire krant verspreidde per editie iets meer dan duizend exemplaren. Echter, wanneer je de situatie vergelijkt met buurlanden, blijkt dat kranten per hoofd van de bevolking destijds een stuk meer gelezen werden in de Nederlanden dan in bijvoorbeeld Engeland en de Duitse deelstaten. Er werd in Vlaanderen enig tegengas gegeven door Nederlandstalige publicaties, maar deze slaagden er niet in de Franstalige pers te overstemmen. Uiteindelijk zal er vanuit de regering hard ingegrepen worden door bepaalde publicaties te verbieden.

Ontketening van de opstand

De onvrede in het Zuiden bereikt nieuwe hoogten in 1829. In dit jaar weet de oppositie van koning Willem deze onvrede te uiten via petities. Ondanks dat er geen sprake is van democratie, is het op deze manier toch mogelijk voor het volk om enige inspraak te hebben. Of er wat mee gedaan werd is, toen net als tegenwoordig, altijd de vraag. De eisen van de twee petities waren breed: ministeriële verantwoordelijkheid, afschaffen van sommige belastingen, taalvrijheid, herstel van de persvrijheid.

De eerste geleverde petitie werd getekend door 40.000 mensen. Als antwoord hierop doet koning Willem concessies voor zowel persvrijheid als benoemingen binnen de Katholieke kringen. Na deze concessies wordt het echter niet rustiger: de Fransgezinden voelen de zwakte van de koning aan, en drukken harder door voor meer concessies op taalgebied. Hierin zit een belangrijke les in het algehele politieke spel: bij een losse compromis voelen je tegenstanders zwakte, en zullen ze gelijk aandringen op de volgende stap op hun verlanglijst.

In februari van 1830 komt een 2e petitie op gang, gesteund door zowel liberalen als katholieken. Deze wordt uiteindelijk getekend door 360.000 mensen. Een fors aantal, vooral gezien het feit dat de groep die profiteerd van de voordelen van de concessies vrij klein is. Veel handtekeningen komen uit Vlaanderen, waar de petitie een heel andere indruk wekt: hier wordt geageerd tegen het Protestantisme van het Noorden, om zo handtekeningen te ronselen. Ook zet de adel de boerenstand onder druk. Deze tactieken blijken te werken. Wanneer daarnaast de jaarlijkse begroting niet door de Tweede Kamer komt, ziet de koning zich genoodzaakt om de gemaakte eisen in te willigen: in Wallonië is Frans de enige officiële taal, en in Vlaanderen (en vooral Brussel) komt het Vlaams onder druk te staan door het Frans door de taalvrijheid.

Maar hierbij laten de Fransgezinden en liberalen het niet. Hun uiteindelijke wens is niets minder dan de aanhechting van het Zuiden bij Frankrijk. Hetzelfde jaar slagen ze in hun wens: op 25 augustus 1830 verandert Brussel in oorlogsgebied. Met veel hulp uit Frankrijk, zowel financieel als materieel, komt dit in de maanden voorafgaand aan deze datum tot stand. Deze revolutie spreidt zich snel uit naar Wallonië en Leuven. In Vlaanderen, met Leuven als uitzondering, blijft het in eerste instantie rustig: de wens om bij Frankrijk aangehecht te worden is daar bepaald niet groot.

Het laatste deel van het boek gaat over de verspreiding van deze revolutie naar onder andere Vlaanderen, en het zwakke verzet dat geleverd wordt door het Noorden. Uiteindelijk krijgt het Zuiden een Gouvernement Provisoire, van waaruit eisen voor de volledige afsplitsing van het huidige België. Wanneer dit tot stemming gebracht wordt, stemmen alle Walen voor. Vlaanderen is echter voornamelijk tegen. Er gaan stemmen op om alleen Wallonië af te staan, wat met een terugwerpende blik het beste scenario zou zijn geweest. Dit ging echter niet door. Ook was er het idee om Wallonië en Brussel af te staan, maar de rest te behouden voor Nederland. Ook dit plan werd van tafel geveegd: Brussel was op dit moment al een behoorlijk verfransde stad, en de invloed van de revolutionairen was groot hier.

België als monarchie

Om sympathie te wekken bij de Europese grootmachten, wordt in België de monarchie uitgeroepen. Een opmerkelijke zet door de voornamelijk liberale leiders van de opstand: een van de ankers van de liberale ideologie destijds was het republikeinse aspect ervan. Deze actie was echter puur pragmatisme van hun kant. Er was echter wel een probleem voor het pasgeboren kunstmatige staatje: wie zou er koning moeten worden? Uiteindelijk valt de keuze, gedreven door Engeland, op Leopold van Saksen-Coburg, een Duitse hertog die getrouwd was met de dochter van de Engelse koning. Leopold liep bepaald niet warm van deze benoeming, en moest uiteindelijk met een riant salaris naar Brussel gelokt worden. Leopold drukt zich als een volksnationalist uit in 1859, wanner hij het volgende te zeggen had over België: ‘België heeft geen nationaliteit en, gezien het karakter van zijn inwoners, kan het er ook nooit een hebben. In feite heeft België geen politieke reden van bestaan’.

Conclusie

Het boek gaat aan het eind nog in op de tiendaagse veldtocht van koning Willem om België te heroveren, maar deze laat ik terzijde voor de lezer als aansporing om zich in dit belangrijke punt van de geschiedenis te verdiepen. Uiteindelijk is deze hele periode vanuit volksnationalistische optiek uiterst slecht gelopen voor Nederland als geheel. Dit geldt natuurlijk des te meer voor de Vlamingen, die plots tweederangs-burgers werden in een Franstalig land, geregeerd door een Duitse koning die geen affiniteit met zijn ‘volk’ had.

Het was een spel van de adel en de hogere klassen aan de ene kant, en dat van geloofskwesties aan de andere kant. België is ontstaan om niet-nationalistische redenen, laat dat de grote les van dit artikel zijn. Dat het volk en het etnische belang in de 20e en 21e eeuw deze beide mogendheden zou overtreffen, kon men destijds wellicht moeilijk voorspellen. De benarde situatie die de Vlamingen toebedeeld werd leidde al snel tot het begin van de Vlaamse beweging. Van Overmeire vatte het simpel samen aan het eind van het boek: ‘De strijd tussen België en Nederland was voorbij. De strijd tussen België en Vlaanderen begint.

In deel 2 springen we door naar de jaren ’50 van de 20e eeuw, om een blik te werpen op deze beweging, en de stappen die zij vanaf toen tot vandaag de dag heeft gezet.

Marcus