Nationalisme en de België-kwestie (deel 5)

0
126

In het vijfde deel van deze reeks over de Vlaamse beweging en haar strijd voor de onafhankelijkheid zijn we inmiddels in de 21e eeuw beland.

Eerdere delen zijn hier te vinden:

deel 1

deel 2

deel 3

deel 4

Het Lambermontakkoord

Guy Verhofstadt werd in juli 1999 premier van België, met een coalitie die samengesteld was uit Vlaamse en Waalse liberalen, socialisten en groenen. Het is tot nu toe het enige Belgische federale kabinet in de geschiedenis geweest waaraan de groenen, zowel Vlaams als Waals, deel hebben genomen. Het is veilig te stellen dat deze globalistische paarsgroene regering de twee volkeren binnen België nog harder aan het botsen bracht dan in de 20e eeuw het geval was.

In 1999 komen er weer stemmen op voor een nieuwe staatshervorming, slechts zes jaar na de voltooiing van de vorige hervormingen. Dezen lijken elkaar in hoog tempo op te volgen door de gebrekkige inhoud van elk, en deze incomplete hervormingen leiden dus al snel tot nieuwe eisen vanuit vooral de Vlaamse hoek. Het Vlaams parlement stelt op 3 maart 1999 enkele resoluties op voor de komende staatshervorming, die in Vlaanderen op een grote meerderheid kunnen rekenen: een tweeledig federaal model, met speciale bevoegdheden voor Brussel. Ook willen ze dat belasting heffen vanuit de gewesten gebeurt, en meer bevoegdheden op verscheidene terreinen.

Echter vertaalt Vlaamse wens zich zelden in de daadwerkelijke Belgische uitkomst. Het Lambermontakkoord kende zeer minimale toezeggingen richting Vlaanderen: de drie gewesten (waaronder Brussel) bleven in hun huidige vorm bestaan, wat Vlamingen in Brussel verder in de knel bracht. De bevoegdheden die werden doorgeschoven richting de gewesten waren beperkt, en bevonden zich vooral in de landbouw, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking. De Vlaamse beweging wenste vooral om sociale zekerheid onder de gewesten te krijgen. Dit zou een grote impact hebben op de geldtransfers vanuit het Vlaamse gewest richting Brussel en (vooral) Wallonië. Deze transfers bleven intact onder deze hervorming. Ook kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (in deel 3 besproken) bleef vooralsnog intact, en over andere punten uit de resolutie van het Vlaams Parlement werd met geen woord gerept in het akkoord.

De meest ludieke actie die de VVB hield tegen dit akkoord had betrekking op de verdere vervreemding van Brussel en Vlaanderen. De VVB redeneerde dat Vlaanderen op zoek zou moeten gaan naar een nieuwe hoofdstad voor Vlaanderen, als de federale onderhandelaars hun handtekening zouden zetten onder het Lambermontakkoord en Brussel zo nog verder uit handen gaven. Zij boden een formulier aan bij de socialistische burgemeester van Gent om in aanmerking te komen voor hoofdstad van Vlaanderen, dat hij maar wat graag ondertekende.

Politieke gevolgen Lambermontakkoord

Uiteindelijk werd het Lambermontakkoord in drie delen goedgekeurd, ondanks weerstand van Vlaams-nationalistische zijde. In eerste instantie samengesteld door de regering Verhofstadt 1 in samenwerking met de Volksunie, haakte laatstgenoemde al snel af voor de goedkeuring door groot intern conflict. Uiteindelijk was de PSC, de Waalse christen-democraten, bereid om het met de regering goed te keuren. De christen-democratische tegenhanger aan Vlaamse kant kon dit slecht waarderen, waardoor CVP en PSC verder uit elkaar groeiden.

De partijpolitieke gevolgen van zowel Verhofstadt 1 (1999-2003) als het Lambermontakkoord zijn groot te noemen. Bijna elke politieke partij gaat bij zichzelf te rade over zowel ideologie als naamgeving. Het voornaamste geval vindt plaats bij de Volksunie: deze voorheen nationalistische en Vlaamsgezinde partij scheurt uiteen in 2001. Het bestond in de laatste jaren uit verschillende facties, met twee voornaamste groepen: wat er over was van de nationalisten onder Geert Bourgeois, en een links-liberale factie die inmiddels ook was geworteld in de partij.

De druppel was toen Bourgeois en andere nationalisten het Lambermontakkoord weigerden te steunen, terwijl de liberalen deze goedgekeurd hadden. Uiteindelijk valt de partij in drie groepen uiteen: de links-liberalen stichtten een nieuwe liberale partij genaamd Spirit, die in 2009 alweer ophield te bestaan. De groep die tegen splitsing was viel volledig uiteen, en verspreidde zich over de andere partijen. Geert Bourgeois en andere overgebleven nationalisten richtten de Nieuw-Vlaamse Alliantie, ofwel N-VA, op. Ik mag hopen dat deze naam Nederlandse lezers welbekend is. Opvallend is ook dat enkele Volksunie-parlementariërs uiteindelijk overlopen naar de Vlaamse socialisten en groenen. Nationalisten in naam alleen, zullen we maar zeggen.

Veel andere partijen poetsten ook aan hun imago, en veranderden vaak van naam. De CVP (christen-democraten) moest wennen aan de oppositie, iets wat ze bijna een halve eeuw niet gebeurd was. De partij zou in 2001 haar naam wijzigen naar de huidige naam, CD&V (Christen-Democratisch en Vlaams). Ook Vlaams Blok ziet noodzaak in een verandering: zij werden begin 2000 juridisch achterna gezeten op aantijgingen van ‘racisme’. Zij veranderen in 2004 de naam van de partij naar Vlaams Belang, waardoor de partij exact dezelfde afkorting behoudt. Ook lijkt er ideologisch niets veranderd te zijn aan de Vlaams-nationalistische partij.

Opmars van de IJzerwake

In 2003 begint ook het laatste hoofdstuk van de geschiedenis betreffende de interne problemen rondom de IJzerbedevaart. In dat jaar besluit het IJzerbedevaartscomité een cultureel festival te houden op de weide rondom de IJzertoren. De radicale flank zag dergelijke praktijken als grafschennis, en hield datzelfde jaar nog de tweede editie van de IJzerwake. Deze werd vanaf dat jaar jaarlijks gehouden, en vooral gesteund door groepen als Voorpost, VNJ, NSV, Vlaams Belang en dit jaar voor het eerst Schild & Vrienden.

Je aan de oude, volksnationalistische boodschap houden bleek goed te werken. Na enkele jaren trok de IJzerwake meer bezoekers dan de IJzerbedevaart, ondanks de zwakkere locatie. De IJzerbedevaart begon na de exit van de nationalisten nog verder in te zakken qua inhoudelijke kwaliteit: er werd gepleit voor een ‘kleurig Vlaanderen’ in het thema van 2003, en niet-blanken mochten de toespraken gaan houden. Vergelijk dat met de ‘Volk, wordt staat’-houding van de IJzerwake, en je moet al snel concluderen dat er met de implosie van de IJzerbedevaart niets van waarde verloren is gegaan.

België op zijn kop

Het boek waar ik tot nu toe de meeste informatie uit gehaald heb, loopt tot het jaar 2006. Op zich is het jammer dat de 50-jarige periode daar ophoudt, want in 2007 – een jaar later dus – belandde België in een existentiële crisis op politiek niveau. Het boek dat dit bij mij onder de aandacht bracht heet ‘België op zijn kop’, geschreven door Mark Platel. Daar wordt vrij gedetailleerd weergegeven hoe de gehele formatie verliep, met citaten en mediaberichten van de betrokkenen.

Na twee Verhofstadt-coalities (1999-2007), het eerste paarsgroen en het tweede paars, maakten zowel Vlaanderen als Wallonië een stap naar rechts. Tegelijk waren enkele partijen bij elkaar in geschoven: er was een kiesdrempel van 5% ingesteld, waardoor kleinere partijen zich voor de veiligheid bij groteren ingevoegd hadden. Een van deze ‘kartels’ was een samenwerkingsverband tussen de CD&V en de toen nog jonge N-VA. Deze combinatie wist de verkiezingen van 2007 te winnen in Vlaanderen, en kregen het initiatief om de nieuwe regering te vormen.

Dat verliep, op z’n zachts gezegd, niet heel goed. Onderhandelingen verliepen stroef op de communautaire kwesties waarover deze hele artikelenreeks al gesproken wordt. De splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde stond inmiddels ook bij de mainstream-partijen hoog op de agenda, waar dit obstinaat geweigerd werd door de Walen in elke onderhandeling. Ook de geldtransfers kwamen weer ter sprake. Er werd 194 dagen geformeerd voordat er een tijdelijke regering gevormd werd onder Guy Verhofstadt. Deze interimregering zou de boel slechts draaiende houden, terwijl de beoogde regeringspartijen (CD&V-NVA, CdH, MR, Open VLD, PS) door onderhandelden voor een ‘echte’ regering. België zat dus technisch gezien nog langer dan de 194 dagen zonder regering, en de stopgatmethode met een interimregering was zeer ongebruikelijk destijds.

Uiteindelijk werd Leterme 1 beëdigd in maart 2008, negen maanden na de verkiezingen. Zes maanden later was het alweer voorbij: de economische crisis zorgde ervoor dat de Nederlands-Belgische bank/verzekeraar Fortis gered moest worden door de Benelux. Hierbij kwam de Belgische staat door een snelle verkoop van zijn geredde aandeel snel in de problemen, in juridisch opzicht. In december 2008 was de regering gevallen, nadat de N-VA al in september uit de regering gestapt was.

Er werd met de overige partijen een doorstart gemaakt onder Herman van Rompuy. De overgebleven coalitie bevatte slechts twee Vlaamse partijen, CD&V en Open VLD, die samen geen meerderheid hadden in Vlaanderen. Nu heeft dit geen directe gevolgen op het federale niveau, maar slaat het wel een deuk in de democratische legitimiteit van een dergelijke coalitie. Het is een probleem dat vanaf deze regering vaker voor is gekomen in België. Omdat van Rompuy voorzitter werd van de Europese Raad, viel ook deze regering na een jaar. Vervolgens kon Leterme terugkomen als premier met een nieuwe doorstart, die het slechts vijf maanden volhield.

Het einde van Brussel-Halle-Vilvoorde

De regering Leterme II viel vanwege een inmiddels veertig jaar oud dossier: het voortbestaan van het kiesdistrict Brussel-Halle-Vilvoorde. In april 2010 stapte de liberale Open VLD uit de coalitie, nadat de einddatum voor de oplossing van dit dossier verstreken was. De hierop volgende verkiezingen in juni zorgden voor de nodige veranderingen: de N-VA pakte de koppositie in Vlaanderen over met 28 procent van de stemmen. Plaats Vlaams Belang daarnaast met 12 procent, en Vlaams nationalisme scoort 40 procent over de breedte. Dit beantwoordt ook gelijk de vraag waarom een globalistisch-liberale partij als Open VLD zich druk maakte om een voorheen nationalistische kwestie als Brussel-Halle-Vilvoorde: zij hadden door dat de politieke wind naar rechts aan het waaien was in Vlaanderen.

Leterme II ging echter wel door als interim-regering totdat de nieuwe regering gevormd was, en dat bleek hard nodig te zijn: het duurde maar liefst 459 dagen, ofwel 15 maanden, voordat er een akkoord was tussen de beoogde regeringspartijen. In dit Vlinderakkoord, gesloten tussen Vlaamse en Waalse christendemocraten, liberalen, socialisten en groenen, vond de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde plaats, ruim 40 jaar nadat het voor het eerst geopperd werd. Ook werden er meer bevoegdheden doorgeschoven naar de gewesten, vooral op het gebied van gezondheidszorg en de kinderbijslag (beiden al jaren wens van de Vlaamse beweging).

Het is opvallend te noemen dat dit akkoord, waarbij een aantal wensen van de Vlaamse beweging ingewilligd wordt, gesloten is door de globalistische partijen, zonder medewerking van de Vlaams-nationalistische partijen. Samenwerking tussen de N-VA en de PS, grootste partij aan Waalse kant, was halverwege de onderhandelingen spaak gelopen op voornamelijk economische kwesties. Vlaams Belang werd nog altijd systematisch buitenspel gezet door de mainstream. Beide Vlaamse partijen hadden meer willen zien in het akkoord, en het wegblijven van hun handtekeningen doelt op het feit dat er (weer) te weinig gebeurd is tijdens de staatshervorming. Ook waren ze het oneens met de mogelijkheid voor stemmers in de faciliteiten-gemeenten rondom Brussel om alsnog een stem uit te brengen op Brusselse lijsten, iets wat de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde had moeten voorkomen.

Conclusie

België is in de beschreven jaren met de schrik vrij gekomen. Op politiek vlak was het al decennia lang moeilijk om compromissen te sluiten tussen Vlamingen en Walen, maar deze problemen lijken alleen maar groter te zijn geworden in het begin van de 21e eeuw. Ondertussen lijkt de Vlaamse beweging, zowel op politiek als maatschappelijk vlak, alleen maar sterker te worden. In het volgende artikel gaan we verder vanaf het jaar 2014 tot het huidige jaar 2020.

Marcus