Nationalisme en de België-kwestie (Deel 3)

0
185

In het vorige deel eindigden we bij het einde van unitair België in 1970. Er vallen echter nog decennia aan geschiedenis van de Vlaamse beweging en de België-kwestie te behandelen. Het verloop hiervan wordt in dit artikel voortgezet. In tegenstelling tot eerdere delen zet ik in dit artikel minder in op de chronologie zodat enkele belangrijke punten apart kunnen worden behandeld.

De rest van Brabant

Waar Nederlanders meestal niet bij stilstaan, is de reden waarom ‘ons’ Brabant Noord-Brabant heet: de rest ligt over de grens, in België. In België was deze in 1970 ingedeeld in twee provincies: Antwerpen en Brabant. De namen zijn ietwat misleidend, en lijken te suggereren dat de provincie Antwerpen geen deel uitmaakt van Brabant als geheel. Historisch gezien omvatte het hertogdom Brabant deze beide gebieden, inclusief Brussel, en Noord-Brabant.

De strijd van de Vlaamse Volksbeweging (VVB) – en de Vlaamse beweging in het algemeen – speelde zich in de jaren 70 vooral af in Brabant. In deel 2 kwamen zowel de kwestie van Brussel als die van de gemeenten in de Vlaamse Rand aan de orde. Alle gemeenten in de Vlaamse Rand maken deel uit van de provincie Brabant, en de Vlaamse beweging vreesde (terecht) dat de verfransing zich vanuit Brussel naar de Brabantse voorsteden en gemeenten rondom Brussel zou verspreiden.

Federalisering

De grondwetswijziging van 1970 bevatte de eerste stappen naar een federaal België, door de Vlamingen en de Walen als twee aparte gemeenschappen te identificeren. De taalgrens, ingesteld in 1963, gaf de afgesproken grens aan tussen de twee volkeren. Tijdens het instellen van de taalgrens werden acht van de negen Belgische provincies officieel eentalig, zij het Nederlands of Frans. Deze eentaligheid was echter niet van toepassing op de provincie Brabant (zie kaart): de taalgrens liep dwars door deze provincie, met als gevolg tweetaligheid. Ook viel Brussel onder deze provincie, om het besturen nog ingewikkelder te maken.

Figuur 1: De provincie Brabant (extra belicht) omvatte zowel Brussel als Vlaams/Waals grondgebied. De taalgrens loopt dwars door de provincie.

De VVB en andere Vlaams-nationalistische groepen ontwikkelden in het begin van de jaren 70 een vrij uniforme eis omtrent Brabant: de splitsing van Brabant in twee provincies, Vlaams-Brabant en Waals-Brabant, met de vastgestelde taalgrens als grens tussen deze provincies. De VVB en andere Vlaamsgezinden raadden de Vlaamse partijpolitiek met klem aan om deze splitsing in het federaliseringsproces te bewerkstelligen.

Brussel-Halle-Vilvoorde

De provincie Brabant kende vanuit de Vlaamse optiek niet alleen problemen op het politiek-bestuurlijke vlak: ook op electoraal gebied was er een aparte situatie ontstaan sinds het onstaan van de taalgrens. Hiervoor is het nodig om kort in te gaan op het electorale systeem van België. Dit is niet zo simpel ingedeeld als het Nederlandse systeem, waarbij alle landelijke stemmen bij elkaar opgeteld worden en de zetels proportioneel verdeeld worden. Het Belgische systeem kent kieskringen, waarop elke partij op een regionaal nivo lijsten indient voor de te verkiezen politici. Per kieskring wordt er een aantal zetels aangewezen, die gevuld worden vanaf de kieslijsten uit elke kieskring. Wanneer de zetels van deze kieskringen bij elkaar opgeteld worden, kom je uiteindelijk uit op het voltallige Belgische federale parlement.

Door toedoen van de nieuwe taalwetgeving in 1963 en de hieruit volgende eentaligheid in Vlaanderen en Wallonië werden vrijwel alle kieskringen hierop aangepast. Kieslijsten in Vlaanderen werden exclusief Nederlandstalig en Waalse lijsten exclusief Franstalig. De enige uitzondering hierop is Brussel, waar de tweetaligheid zorgde voor tweetalige kieslijsten. Als de kieskring slechts tot Brussel beperkt zou zijn gebleven, had dit geen probleem gevormd. Echter botsten de Vlamingen hier (weer) op structurele problemen met de indeling van Brabant: de kieskring omvatte naast Brussel ook veel gemeenten in de Vlaamse Rand en omstreken. Deze kieskring, Brussel-Halle-Vilvoorde (in figuur 2 weergegeven) kreeg te maken met tweetalige lijsten door toedoen van de tweetaligheid van Brussel.

Figuur 2: De kieskringen van de provincie Brabant. Rood= Kieskring Waals-Brabant (Franstalig), Blauw= Kieskring Leuven (Nederlandstalig), Geel= Kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (tweetalig).

Deze electorale indeling betekende dat een groot deel van Vlaams-Brabant te maken kreeg met Franstalige politiek, terwijl Vlaanderen officieel de eentaligheid gewonnen had. Door de gewoonte van veel Franstaligen uit Brussel om buiten de stad te wonen, kon dit op electoraal en demografische gebied een stroomversnelling betekenen voor de verfransing van Vlaams-Brabant. De eis op dit gebied van de VVB en andere Vlaamsgezinden was simpel: splits het kiesdistrict in tweeën, waarbij Brussel tweetalige lijsten hanteert en Halle-Vilvoorde een Nederlandse. De eentaligheid van Halle-Vilvoorde zou zeker bijdragen aan de taal- en demografische integriteit van Vlaams-Brabant, en voorkomen dat Brussel uit zijn voegen barst.

Deze twee onderwerpen, gecombineerd met de wens om de faciliteiten – besproken in deel 2 – af te schaffen, waren de voornaamste redenen tot protest. Op 15 oktober 1972 gingen tussen de 40.000 en 50.000 Vlamingen de straat op in Vilvoorde om de genoemde eisen te bekrachtigen. Deze aantallen zijn indrukwekkend, gezien het feit dat de stad Vilvoorde destijds slechts 35.000 inwoners bedroeg. Deze actie kon op veel steun rekenen vanuit Vlaams-Brabant, Vlamingen in Brussel en elders. Twee jaar later wordt op 24 november 1974 nog eens met 50.000 man geprotesteerd in Halle. Het duurde echter nog een paar jaar voor er qua beleid een oog geworpen werd op de kwesties waarvoor betoogd werd.

Egmontpact

In 1977 kwamen alle genoemde onderwerpen (en meer) ter sprake, toen de partijpolitiek in België zich boog over de gewenste indeling van het Belgische federaal systeem. Naast de genoemde eisen vanuit de Vlaamsgezinde hoek werd hier ook ingegaan op de gewestenindeling. De wens van Vlaamse kant was dat België zou bestaan uit twee gewesten, Vlaanderen en Wallonië. Brussel en zijn 19 gemeenten zou in dit concept in zijn geheel in Vlaanderen vallen. Op deze wijze zou het voor Vlaanderen mogelijk zijn om beleidsmatige invloed uit te oefenen op Brussel, en een toekomst voor Vlamingen in Brussel te garanderen. De Walen en Franstaligen in Brussel zagen het echter heel anders voor zich: zij wilden een systeem met drie gewesten: Vlaanderen, Wallonië en Brussel als een apart hoofdstedelijk gewest. Zo konden zij hun verkregen meerderheid in Brussel beter omzetten in politieke macht, en Brussel nog verder van Vlaanderen losweken.

Ook bleek er geen sprake van oplossing van de problematiek rondom Brabant, en de afschaffing van de faciliteitengemeenten. Sterker nog, volgens dit plan zouden de faciliteiten voor Franstaligen in Vlaams-Brabant nog verder uitgebreid worden naar nieuwe eentalige gemeenten. Dit hele plan stuitte op grote weerstand uit Vlaamsgezinde hoek, waarbij VVB het voortouw nam: al snel werd er het zogeheten Egmontcomité opgericht, om op gecoördineerde wijze weerstand te bieden. Er werden veel debatten, betogingen en pamflet- en flyeracties georganiseerd door heel Vlaanderen. Deze acties krijgen veel belichting vanuit de media, en slagen erin om de publieke opinie zwaar te beïnvloeden. Het verzet slaagde: eind 1978 viel het Egmontpact in duigen, door partijpolitieke onrust (voornamelijk in Vlaanderen).

Het is, gezien de inhoud van het Egmontpact op communautair vlak, waanzinnig dat Vlaamse partijen zich voor dit plan lieten strikken. Aan Vlaamse kant tekenden de regeringspartijen BSP (socialisten), CVP (christen-democraten) en, nog wel het meest opmerkelijk, de VU (Vlaamsgezinden). Het Egmontpact, door haar negatieve gevolgen voor de Vlamingen op communautair vlak, zorgde voor veel interne instabiliteit bij zowel CVP als VU. Bij de CVP zorgde de instabiliteit voor de val van de regering na het falen van het Egmontpact, en het aftreden van de premier. De achterban binnen de CVP wenste nieuwe onderhandelingen. De partijen aan Franstalige kant waren hier fel tegen, gezien het feit dat de gesloten deal fantastisch was voor de Franstaligen, en nieuwe onderhandelingen waarschijnlijk negatief uit zouden pakken.

Het grootste raadsel van deze hele kwestie is het ondertekenen door de Volksunie. Dat deze Vlaamsgezinde partij dit verdrag ondertekende leidde dan ook tot de versplintering van deze partij. De meer radicale flank splitste zich af in twee partijen: de Vlaams Nationale Partij (VNP) en de Vlaamse Volkspartij (VVP). Deze partijen zouden kort daarop samenvloeien tot het ons welbekende Vlaams Blok.

Politieke instabiliteit

De val van het Egmontpact leidt tot vrij grote instabiliteit in de Belgische politiek: er worden na de val van de regering nieuwe verkiezingen uitgeschreven, maar deze leidden qua uitslag niet tot grote veranderingen. Dit had als gevolg dat de nieuwe regering exact dezelfde partijen bevatte, met vrijwel dezelfde krachtsverhoudingen. Vervolgens komt men niet uit dezelfde dossiers die in een eerdere regering ook een probleem vormden, en valt de betreffende regering binnen een paar maanden. Komisch genoeg worden er na de val van de regering vervolgens geen nieuwe verkiezingen uitgeschreven, maar wordt het in een iets andere samenstelling weer geprobeerd, vaak onder dezelfde minister-president. Een snelle opsomming:

RegeringRegeerperiode
Vanden Boeynants IIoktober 1978- april 1979
Martens Iapril 1979- januari 1980
Martens IIJanuari 1980- mei 1980
Martens IIIMei 1980- oktober 1980
Martens IVOktober 1980- april 1981
Eyskens IApril 1981- november 1981

Tabel 1: overzicht van Belgische regeringen na mislukking Egmontpact.

De politieke besluiteloosheid van België kan niet veel beter samengevat worden dan dit. De ene regering valt na de ander over dezelfde breekpunten en kwesties, waarbij Vlamingen en Walen lijnrecht tegenover elkaar staan en geen toegevingen willen doen aan elkander. Er wordt door deze korte regeerperiodes gepoogd om kleine vooruitgangen te boeken, bijvoorbeeld in de staatshervormingen in 1980: deze moesten slagen waar het Egmontpact gefaald had. Vlaanderen kreeg meer zeggenschap over onderwijs, maar essentiële kwesties rondom Brussel en Brabant bleven onopgeloste zaken. Terwijl genoemde zaken onopgelost bleven, stapelden andere kwesties zich op waarbij de spanning tussen Vlaanderen en Wallonië verder opgevoerd werd.

Economische ongelijkheid

Sinds het ontstaan van België was de staalindustrie een belangrijke economische pijler van Wallonië. In de tijd van het Verenigd koninkrijk der Nederlanden (zie ook deel 1) stimuleerde koning Willem deze industrie met de hulp van de Engelse John Cockerill. De staalfabriek in Seraing (vlakbij Luik) werd in 1850 zelfs de grootste van zijn soort in de wereld. Deze industrie stond echter, net als elders in Europa, op instorten aan het begin van de jaren 80. Er werd wanhopig naar oplossingen gezocht: eerst fuseerden het Luikse Cockerill en Hainaut-Sambre uit Henegouwen tot één bedrijf. Dit nieuwe bedrijf – Cockerill-Sambre – was voor meer dan 80% in handen van de Belgische staat.

Deze fusie loste echter niets op: er moest grondig gesaneerd worden in het nieuw-gefuseerde bedrijf. Dit zou op korte duur leiden tot het ontslag van ongeveer 8000 werknemers. Ook was er kapitaal nodig om de overblijvende bedrijvigheid draaiende te houden. Dit dossier kwam vrijwel in zijn volledigheid in handen van de Belgische overheid door haar aandeelschap. Het grootste deel van de kosten kwam op de rekening van Vlaanderen, terwijl de voordelen vrijwel exclusief naar de Walen gingen. Vlaanderen zag dit bedrijf verworden tot een bodemloze geldput die slechts door Vlaams geld overeind bleef. De regering Eyskens I valt over de landelijke onrust rondom deze crisis in oktober 1981, en er worden vervroegde verkiezingen uitgeschreven. De situatie rondom het bedrijf zou echter nog jaren kopzorgen opleveren.

De Happart-kwestie

In de jaren 80 komt de Voerstreek (beschreven in deel 2) ook weer volop in beeld. Het Franstalige en pro-Waalse retour à Liège behaalt een meerderheid van de stemmen in de gemeenteraadsverkiezingen van 1982. Zij dragen uiteindelijk José Happart voor als burgemeester. Deze kwam echter gelijk in opspraak omdat hij als Fransgezinde Waal helemaal geen Nederlands sprak, maar wel burgemeester ging worden van een Vlaamse gemeente. Dit werd als grove schending gezien van de ingestelde taalwetten door de Vlamingen. Als compromis werd Happart één jaar de tijd gegeven om zich het Nederlands machtig te maken. Dit gebeurde echter niet, en hij werd door de provincie Limburg afgezet als burgemeester.

Vervolgens werd er een apart spel gespeeld door de Walen: zij droegen een nieuwe burgemeester voor, maar deze trok zich gelijk terug, waardoor Happart vervolgens weer tot eerste schepen benoemd werd en de facto burgemeester werd. Deze nieuwe burgemeester werd vervolgens door de provincie afgezet, en dit proces begon opnieuw. Deze cyclus gebeurde negen (!) keer voordat er een blijvende oplossing gevonden werd in 1988 en Happart definitief uit beeld verdween. Dit slepende dossier heeft zes jaar geduurd en bijgedragen aan de val van een landelijke regering in 1987.

Conclusie: ondertussen in Brussel

De strijd tussen Vlamingen en Walen in de Voerstreek toont, als volksnationalist terugkijkend, een gigantisch gebrek aan perspectief. De gemeente Voeren is een zeer klein gebied, met slechts 4000 inwoners. De hele Vlaamse beweging vocht letterlijk (rellen/knokpartijen in de gemeente) en figuurlijk om dit stukje land. Maar terwijl er gevochten werd om dit kleine stuk land werd een veel grotere prijs buitgemaakt door een andere mogendheid dan de Vlamingen en de Walen.

In de jaren 80 gaat er af en toe een stem op rondom de immigratiekwestie in de Vlaamse beweging, en dan specifiek de situatie in Brussel. In Doorbraak verscheen in 1983 een artikel wat vanuit volksnationalistische optiek een schot in de roos was: ‘de Vlaamse beweging en de gastarbeiders’. Deze benonemde de demografische situatie in Brussel in 1983: het percentage vreemdelingen bedroeg toen al 25%, en dit liep op tot 43% onder de pasgeborenen. Het artikel waarschuwde voor een Franstalig Brussel waar de Franstaligen zelf niet eens meer Waals waren, maar van elders kwamen. In deze situatie zou de Vlaamse aanwezigheid en invloed in Brussel van de kaart geveegd worden.

Dit artikel is vrijwel in zijn geheel werkelijkheid geworden, kijkend naar het Brussel van nu. Terwijl Vlamingen en Walen om het bot genaamd België streden, ging een derde er met de hoofdstad vandoor. En aangezien deze stad een eigen gewest dreigde te worden, zou het in een beest veranderen dat moeilijk te temmen is.

(In het volgende deel wordt de draad verder opgepakt vanaf ongeveer 1985)

Marcus