Nationalisme en de België-kwestie (Deel 2)

Volksnationalisme radicaal?

Vanuit andere hoeken van het politieke spectrum word ons vaak ‘extremisme’ verweten. Aanhangers van het volksnationalisme worden afgezet als ‘geradicaliseerd’. Is volksnationalisme radicaal? Het is begrijpelijk dat dit gedacht wordt door globalisten. Onze visie voor een Nederlandse volksstaat is uiteraard mijlenver verwijderd van hun idealen. Ook helpt het niet dat er in de Nederlandse mainstream nog weinig stemmen zijn die voor onvervalst volksnationalisme pleiten. De taak is natuurlijk aan ons, bij Erkenbrand en bij volksnationalisten over de breedte, om hier verandering in te brengen.

De vraag die interessanter is om te beschouwen is niet of volksnationalisme al dan niet radicaal is, maar hoe iemand uiteindelijk bij deze ideologie uitkomt. En dan heb ik het niet over welke specifieke gebeurtenis/schrijver/website je overtuigd heeft, maar welke denkstappen er gemaakt worden.

Er is weinig ruimte voor een compromis in de volksnationalistische optiek. De Nederlandse volksstaat is het enige middel om het voortbestaan van het volk op de lange termijn te verzekeren. Een compromis sluiten op demografisch gebied brengt deze verzekering in gevaar. Slechts een migratiestop invoeren zonder plannen voor remigratie te smeden zou slechts leiden tot uitstel van Nederlanders als minderheid in Nederland (hallo, PVV!). Een systeem waarin alleen hoogopgeleiden naar Nederland kunnen komen zal nog sneller de demografische ondergang van het Nederlandse volk inzetten (hallo, FvD!).

Het centrale punt is dit: men komt uiteindelijk bij volksnationalisme uit door te beseffen dat gematigdheid, die bijvoorbeeld in het staatsnationalisme gevonden wordt, niet tot het gewenste resultaat zal leiden. Deze positie kan afgedaan worden als ‘radicaal’, zeker, maar enige verzwakking zal leiden tot het einde van het Nederlandse volk op de lange termijn, door halve maatregelen in de beleidsvoering.

Vlaamse volksbeweging

De Vlaamse beweging heeft eenzelfde verloop doorstaan in de tweede helft van de 20e eeuw. In eerste instantie dachten ze dat het Vlaamse volk met enkele concessies een goed leven was beschoren binnen de Belgische staat. Naarmate de decennia vorderden kwamen ze er echter achter dat slechts één oplossing tot het behoud van Vlaanderen en de Vlamingen op de lange termijn zou leiden: een onafhankelijk Vlaanderen!

Een van de groeperingen die zich sinds de jaren 50 tot de dag van vandaag inzet voor de Vlamingen is de Vlaamse Volksbeweging (VVB). De VVB, opgericht in 1956, is een niet-partijgebonden groepering die zich op veel fronten ingezet heeft voor het Vlaamse belang. In 2006 verscheen er een boek genaamd ‘Wij Betogen’ waarmee zij hun 50-jarig bestaan vieren. Dit boek is vrij geschikt om tijdens het tweede deel van deze artikelenreeks te hanteren, want het benoemt alle knelpunten die de Vlamingen beleefd hebben – en nog beleven – in de moderne geschiedenis van België.

Het boek zet alle acties en gebeurtenissen op chronologische wijze uit van 1956 tot 2006. Hierdoor krijg je ook gelijk een goed beeld bij wat de VVB en de Vlaamse beweging in het algemeen bezighoudt in een specifieke tijd. In de jaren 50 gaat het vooral om de taalkwestie en economische belangen.

De Belgische elite, inclusief het koningshuis, heeft sinds het onstaan van België niet bepaald het beste voor met de Vlamingen, om het zwak uit te drukken. Dit werd in 1958 vooral duidelijk tijdens de wereldtentoonstelling, ook bekend als Expo 58, die gehouden werd in Brussel. Het Atomium is tot de dag van vandaag een blijvende herinnering aan de tentoonstelling, ook al was men toen van plan om deze slechts tijdelijk te laten staan. Met 42 miljoen bezoekers was het een uitgelegen moment voor België om zich op een bepaalde wijze naar de buitenwereld te presenteren, en dat deed het: het presenteerde zich alleen in het Frans, in een land waar meer Nederlands dan Frans gepraat wordt. Dit kwam voornamelijk voort uit de Fransgezinde elite en het Belgische koningshuis, die de voornaamste organisatoren waren van de expositie. Dit leidde tot enkele rellen van Vlaamse kant, maar er werden geen structurele aanpassingen gedaan gedurende het halve jaar dat de expositie gaande was.

Unitair België en de wens voor federalisme

In 1960 was België een unitaire staat, wat wil zeggen dat er geen sprake was van gewesten. Zowel Vlamingen als Walen bestonden niet in deze Belgische staatsinrichting, wat ook betekende dat er geen duidelijke grens bestond tussen deze gebieden. Dit had vooral voor de Vlamingen negatieve gevolgen. De verfransing van Brussel, die op dat moment al zo’n 200 jaar gaande was, zette zich verder voort. Ook was dit merkbaar in de Vlaamse Rand. De Vlaamse Rand (in het Frans bekend als périphérie Bruxelloise) omvat 19 gemeenten die in een cirkel om Brussel heen liggen. Vooral de gemeenten die tussen Brussel en de huidige grens tussen Vlaanderen en Wallonië liggen, stonden onder druk van de verfransing.

De Franstaligen in de Belgische overheid wilden gebruik maken van deze situatie door op te roepen voor een talentelling in alle gemeenten, om zo meer rechten en eisen in te willigen in Vlaanderen voor Franstaligen. Onder andere door toedoen van de VVB en andere nationalistische groepen weigerden honderden Vlaamse gemeenten mee te werken met een eventuele talentelling, waardoor het idee van de hand gewezen werd door de Belgische overheid. VVB en andere nationalistische organisaties pleiten voor een taalgrens, om zo de taalhomogeniteit van het Vlaamse land wettelijk vast te leggen. Om dit te bewerkstelligen is veel politiek kapitaal nodig, want het vereist een grondwetswijziging. Ook ontwikkelt de VVB een voorkeur voor een federalistische indeling van de Belgische staat, waarin Vlaanderen en Wallonië als aparte gewesten met een eigen taal worden erkend.

Deze eisen komen op de voorgrond van de Belgische maatschappij op 22 oktober 1961, wanneer 100.000 Vlamingen een mars houden in Brussel tegen de verfransing van Brussel en de Vlaamse Rand. Er volgt enkele maanden later nog een mars met 40.000 betogers. De meeste Vlaamse media reageert positief hierop, terwijl Franstaligen in Brussel en Wallonië vanzelfsprekend minder enthousiast zijn. Uiteindelijk zal deze Vlaamse dreiging leiden tot de oprichting van het Front Démocratique des Bruxellois Francophones (FDF) in 1964, wat tot op de dag van vandaag de meest militante francofone partij is in Brussel en België in het algemeen.

Komisch genoeg vormde de taalkwestie ook een probleem aan de andere kant van Vlaanderen, in de kuststreek. Hier deden de toeristische bedrijven veelal hun zaken in het Frans voor de badgasten, en werden veel katholieke missen in het Frans gehouden. Onder het motto ‘Geen Vlaams, geen centen’ worden Franse missen bediend van kartonnen collectemunten van Vlaamse kerkgangers, die massaal in omloop kwamen in de kustplaatsen.

Vaststelling taalgrens en ‘faciliteitengemeenten’

Uiteindelijk zal de taalgrens definitief vastgelegd worden in een wet die inging op 1 september 1963. Hier ging een vrij grondig proces met taaltellingen aan vooraf, om gemeenten bij Vlaams dan wel Waals taalgebied in te delen. Tientallen gemeenten, dorpen en wijken wisselden van arrondissement na deze wet, wat voor enkele vreemde situaties zorgde: de gemeente Komen-Waasten (lichtblauw op kaart) veranderde in een Waalse enclaaf, die tot op de dag van vandaag vastligt tussen West-Vlaanderen en Frankrijk, zonder directe aansluiting met Wallonië. Aan de andere kant van het land heeft de gemeente Voeren (oranje op kaart), horend bij Vlaanderen, hetzelfde probleem: deze ligt tussen het Nederlandse Limburg en het Waalse arrondissement Luik. Deze twee gemeenten zijn nog steeds knelpunten in de taalstrijd, ondanks de vastgestelde regels die voor enige vorm van rust hadden gezorgd in andere gemeenten.

Figuur 1: Schematische weergave van België per gemeente. Geel=Vlaanderen, Blauw=Wallonië, Groen=Duitstalige gemeenschap (onderdeel van Wallonië), Rood=Brussel.

Een ander aspect dat met de ingang van de taalwet werd ingevoerd waren de zogenaamde ‘faciliteitengemeenten’. Wanneer een gemeente een taalminderheid bezat die groter was dan 30% van de bevolking van die gemeente (dus bijvoorbeeld een Vlaamse gemeente met 32% Frans-sprekenden), was die gemeente grondwettelijk verplicht om bepaalde diensten in de betreffende minderheidstaal te verlenen. Dit deel van de taalwet was ingevoerd om de overgang naar eentaligheid in zowel Vlaanderen als Wallonië te vergemakkelijken: het had dus een tijdelijke ingreep moeten zijn. Echter, deze faciliteitengemeenten bestaan tot op de dag van vandaag, en worden voornamelijk door de Franstaligen gebruik om gemeenten in de Vlaamse Rand naar Wallonië over te hevelen. Vandaag de dag voeren groepen als Voorpost en het Taal Aktie Komitee (TAK) actie in deze gemeenten tegen de Franse faciliteiten, met de insteek dat er nu misbruik gemaakt wordt van het oorspronkelijke doel.

Opvallend is ook dat Franstalige faciliteiten verplicht zijn in het Duitstalige gebied, ondanks dat het percentage Franstaligen daar slechts rond de 10 procent ligt. Kijkend naar de problemen die de staat België heeft sinds zijn ontstaan in 1830, en de strijd tussen Vlamingen en Walen op politiek front, is het waanzinnig dat er ook nog eens zo’n 80.000 Duitsers aan dit geheel zijn toegevoegd. Dit is gebeurd door toedoen van het verdrag van Versailles in 1919, en werd gezien als een soort compensatie voor de invasie van België door het Duitse keizerrijk. Dat dit de demografische situatie van België nog verder zou bemoeilijken, was waarschijnlijk niet in de overweging meegenomen.

Leuven Vlaams en de onhoudbaarheid van unitair België

De taalwet en de daaruit volgende eentaligheid voor Vlaanderen (exclusief Brussel) deed de blik van de VVB en andere Vlaamsgezinde organisaties vallen op Leuven in het begin van de jaren ’60. In het eerste deel van deze artikelenreeks zagen we al dat Leuven naast Brussel een van de voornaamste uitvalsbasissen is van de Walen en andere Fransgezinden. In 1963, toen de grondwetswijziging betreft taalwetgeving inging, was de Katholieke Universiteit Leuven (KUL) nog tweetalig. Ook was er in 1965 nog geen definitief plan uitgestippeld voor de toekomst van het Franstalige deel van de universiteit. Vlamingen eisten de overheveling van dit deel naar een plaats in Wallonië. De Walen, echter, wilden het overplaatsen naar een van de Brusselse gemeenten. Aangezien dit de Franstalige aanwezigheid in Brussel nog verder zou versterken en de verfransing van Vlaams-Brabant zou vergroten, waren veel Vlamingen daar tegen. Ook mengden Katholieke geestelijken zich in deze strijd, waarbij Vlaamse en Waalse bisschoppen lijnrecht tegenover elkaar komen te staan.

Na enkele protesten en betogingen halverwege de jaren ’60 bereikt deze situatie een kookpunt in 1968. Vanaf januari staakt de hele Vlaamse afdeling van de universiteit, wat zich verspreidt naar alle onderwijsinstellingen in heel Leuven op 6 februari. Deze situatie zorgt uiteindelijk voor de val van de regering: 8 ministers uit de Vlaamse tak van de Belgische CVP (Christelijke Volkspartij) stappen op na de politieke impasse bij dit onderwerp. Eind 1968 behalen de Vlamingen de overwinning door de definitieve verplaatsing van de Franstalige KUL naar Waals-Brabant.

Na de gebeurtenissen in Leuven begint er hardop getwijfeld te worden aan de houdbaarheid van een unitair België: Vlamingen en Walen staan vaak lijnrecht tegenover elkaar op veel essentiële punten, en dit begint orde van de dag te worden in Belgische politiek: de eerder genoemde CVP was decennia lang een unitaire partij met een Vlaamse en Waalse tak, maar deze valt uit elkaar na de affaire rondom Leuven. Ook is de opkomst van Vlaamsgezinde partijen als de Volksunie (voorloper van N-VA) en Fransgezinde partijen als de eerder genoemde FDF een teken van deze omwenteling.

Uiteindelijk komt het unitaire België ten einde in 1970 door een grondwetswijziging, en wordt vervangen door een semi-federaal systeem. De Vlamingen behalen hierin enkele overwinningen: de officiële erkenning van een Vlaamse (en Waalse) volksgemeenschap in België, cultuurautonomie voor Vlaanderen en pariteit van Vlaams en Frans in Brussel. Er zijn echter ook nadelen: pariteit voor de ministerraad wordt ingeschreven, wat betekent dat de ministerposten 50/50 verdeeld moeten worden tussen Vlamingen en Walen. Dit was vrij scheef, aangezien Vlamingen 62% uitmaken van de Belgische bevolking. Ook bezitten de Walen in deze grondwetwijziging de mogelijkheid om een effectief veto uit te roepen over taalkwesties: er zou een meerderheid nodig zijn vanuit beide taalgroepen.

Conclusie

Het einde van België als unitaire staat na een bestaan van 140 jaar kan gezien worden als de eerste grote overwinning van het Vlaamse nationalisme. Het zal echter opvallen dat er geen woord gerept is over migratie. Deze kwam net als in Nederland pas halverwege de jaren ’60 op gang en de relevante problematiek bleef op de achtergrond in de in dit artikel beschreven periode. In het volgende artikel ga ik op (meestal) chronologische wijze verder met het verloop van het Vlaamse (volks)nationalisme in België.

Marcus

One thought to “Nationalisme en de België-kwestie (Deel 2)”

  1. Een verenigd Europa der regio`s zou een goede uitkomst zijn voor de kunststaat Belgie.
    Maar dan moeten eerst alle instituties in Brussel hervormd zijn door pro-blanke krachten, voor zover dat nog kan.
    Als de EU zichzelf hervonden heeft, migratie is gestopt en remigratie-beleid vast onderdeel uitmaakt van de Europese politiek, is het mogelijk om de invloed van natie-staten af te bouwen en te werken met Europese regios die ook daadwerkelijk een economische en politieke eenheid vormen, zoals Vlaanderen, de Randstad of het Roergebied.

Reacties zijn gesloten.