Nationaalsyndicalisme in de 21ste eeuw

4
1305

Het nationaalsyndicalistische idee ontstond begin vorige eeuw in Zuid-Europa. Juist in deze tijd van toenemende geld- en machtsconcentratie bij de elite en het verzet daartegen zijn de thesen van het nationaalsyndicalisme weer net zo relevant als aan het begin van de vorige eeuw. Hopelijk kan ook in de 21ste eeuw de theorie en praktijk van het aloude nationaalsyndicalisme een wezenlijke bron van inspiratie vormen in de strijd tegen het huidige hyperkapitalistische systeem en de heersende plutocratie (geldheerschappij).

Syndicalisme en Nationalisme

Aan het einde van de 19de eeuw, begin 20ste eeuw, had het marxisme te kampen met verschillende tegenslagen in de strijd tegen het kapitalisme. Hieruit ontstond een ideologische crisis die aanleiding gaf tot het ontstaan van meerdere revisionistische stromingen, die hun eigen revisie (= herziening) van het socialisme nastreefden. Een van deze stromingen centreerde zich rond de Franse marxistische filosoof Georges Eugene Sorel. Sorel werd in de loop van de tijd door zijn praktijkervaringen binnen de Franse vakbeweging een overtuigd ‘revisionist’ en legde daarmee uiteindelijk de intellectuele basis voor het latere nationaalsyndicalisme.

Menselijk handelen ontstond volgens Sorel uit irrationeel geloof en rationele methoden. Het geloven in iets (in Sorels geval de algemene staking) kan effectief zijn, zelfs als deze (de algemene staking) nog moet plaatsvinden. Dit geloof noemde hij de mythe. De mythen kunnen evenzo effectief zijn als de realiteit: Indien de volksmassa’s overtuigd zijn van hun eigen kunnen, zal het systeem uiteindelijk toch omver worden geworpen. Hiermee introduceerde hij het idee van de sociale mythe, waarmee hij zowel anarchisten, socialisten als nationalisten inspireerde. Voor Sorel was de arbeidersklasse allang geen vanzelfsprekendheid gegeven meer. Hij was zich scherp bewust van de verschillende ontwikkelingen binnen het kapitalisme die tot het opgaan van het proletariaat in een burgerlijke middenklasse zouden leiden. Echter, om tegen het kapitalisme een vuist te kunnen maken, moest de mythe van het proletariaat, en dus de algemene staking, in stand worden gehouden – en zelfs versterkt. Daarin lag voor Sorel de taak van de algemene staking als de mythe van het revolutionaire syndicalisme: het verenigen van een gefragmenteerde arbeidersklasse tot een proletarische eenheid.

Begin 20ste eeuw zocht Sorel toenadering tot de integralistische nationalisten van L’Action Française en later de Cercle Proudhon. Vanaf deze tijd gingen nationalisten en syndicalisten elkaar dan ook steeds meer beïnvloeden. Beiden verwierpen de burgerlijke waarden van de Franse Revolutie, de parlementaire democratie, het liberalisme, het internationalisme en het pacifisme. Ook deelden zij een bewondering voor het heroïsme, het vitalisme en het geweld. Buiten Frankrijk, onder meer in Italië, vonden deze nieuwe ideeën steeds meer aanhang onder revolutionaire syndicalisten, zoals Arturo Labriola, Agostino Lanzillo, Angelo Oliviero Olivetti en Sergio Panunzio, die een synthese tot stand wilden brengen van de Italiaanse nationale zaak met die van het revolutionaire syndicalisme.

Arturo Labriola en het Italiaanse syndicalisme

Al snel vormde een kleine groep Italiaanse syndicalisten, geleid door Arturo Labriola, een eigen fractie binnen de Italiaanse Socialistische Partij (PSI). Zij beschuldigden de reformisten binnen de partij ervan, dat deze slechts opkwamen voor het industriële proletariaat in Noord-Italië en niet voor de boerenmassa’s in het Zuiden – die toen de meerderheid van de Italiaanse bevolking vormden. Zij stelden dat de socialistische revolutie enkel tot stand gebracht kon worden door de organisatie van de gehele werkende klasse, deze georganiseerd binnenin strijdbare syndicaten die in staat waren om het productieproces van de bourgeoisie over te nemen. Tijdens een congres in Ferrara in 1907 werd besloten dat de revolutionair-syndicalistische Beweging vanaf dat moment de partijpolitiek van de PSI in zijn geheel zou verlaten om zich als een zelfstandige proletarische organisatie volledig te richten op de syndicale politiek. Deze revolutionairesyndicalisten waren ervan overtuigd dat een goedgeorganiseerde proletarische avant-garde (voorhoede) altijd het conflict met de bourgeoisie aan kon gaan en deze ook kon winnen.

Het idee van een strijdbare en revolutionaire syndicalistische avant-garde werd voor het eerst in praktijk gebracht tijdens de algemene landbouwstaking van 1 mei 1908 in Parma. Deze staking vormde de climax van een conflict tussen de landarbeiders en de associatie van landeigenaren. De Kamer van de Arbeid in Parma werd het zenuwcentrum van de syndicalistische beweging en ontwikkelde zich tot het middelpunt van waarachtige proletarische solidariteit.

De stakers werden gesteund door alle leden van de strijdbare syndicaten met financiële donaties. Er was een hoge mate aan discipline en organisatie, die het mogelijk maakte dat uiteindelijk meer dan 33.000 arbeiders voor meer dan 3 maanden alles plat konden leggen. De staking eindigde pas in juni, toen incidenten met stakingsbrekers leidden tot een confrontatie met het leger, dat de Kamer van de Arbeid bezette en de stakingskas in beslag nam. De socialistische beweging reageerde door de revolutionaire syndicalisten uit haar gelederen te royeren en de PSI verbande ze uit al haar politieke activiteiten. In 1912 vormden de revolutionaire syndicalisten hun eigen unie, de Unione Sindicale Italiana (USI), die aan het eind van het jaar al meer dan 100.000 leden had. Deze Unie adopteerde de traditionele antimilitaristische lijn van het syndicalisme, die stand hield tot aan de “Rode Week” (Settima Rossa). De ‘Rode Week’ begon op 7 juni 1914, toen linkse militanten de straat op gingen om te demonstreren tegen het militarisme van de Republikeinse Partij in de aanloop naar de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog. Bij hun hoofdkwartier in Ancona losten politie en carabinieri het vuur op de demonstranten, wat resulteerde in 3 doden en vele gewonden. Hierop werd per direct een algemene staking uitgeroepen, die navolging vond in geheel Italië. In Milaan leidden vooraanstaande syndicalisten, zoals Filippo Corridoni, diverse demonstraties die vaak uitliepen op geweld, op sommige plekken namen deze demonstraties zelfs de vorm aan van een volledige volksopstand. Uiteindelijk moest het leger ingrijpen om de burgerlijke orde in Italië te herstellen en een dreigende burgeroorlog neer te slaan.

De Oorlog

Italië was nog niet bekomen van de schok van de ‘Settima Rossa’, toen zij al weer werd geconfronteerd met de dreiging van een oorlog. Hoewel Italië in 1914 nog geen deel nam aan de Eerste Wereldoorlog, waren alle nationalistische elementen binnen de revolutionairsyndicalistische Beweging het er over eens dat als Italië deel zou nemen aan de oorlog, het aan de kant van Frankrijk en Groot-Brittannië (de Entente) moest zijn. Voor deze nationalistische syndicalisten vertegenwoordigde de alliantie van het Pruisische Rijk met Oostenrijk-Hongarije de ultieme manifestatie van de reactie. Met deze redenering zouden het deze nationaalsyndicalisten zijn, die het linkse interventionistische kamp zouden gaan leiden als de oorlog eenmaal zou zijn uitgebroken. Dit zorgde voor onrust binnenin de antimilitaristische USI, dat pleitte voor een Italiaanse neutraliteit in het conflict en de regering met een revolutionaire algemene staking dreigde, als deze Italië in een oorlog zou willen storten.

In 1914 openden enkele nationaalsyndicalisten onder leiding van Alceste de Ambris een felle campagne tegen het neutralisme van de USI en riepen de Italiaanse regering op om Frankrijk en Groot-Brittannië te steunen in hun oorlog tegen de Pruisische en Oostenrijks-Hongaarse reactie. De Ambris vergeleek de oorlog zelfs met de Franse Revolutie. Dit leidde tot een diepe breuk binnen de USI, waar de meerderheid onder leiding van de anarchist Armando Borghi voor het neutralisme en het antimilitarisme bleef pleiten. Een deel van de nationaalsyndicalisten verliet hierop de USI en stichtte begin oktober de Fascio Rivoluzionario d’Azione (= Bond van revolutionaire actie). Het merendeel van de leiders van de Fascio Rivoluzionario d’Azione meldde zich conform hun ideeën aan om te vechten aan het front, toen Italië in 1915 daadwerkelijk aan de Eerste Wereldoorlog deel ging nemen. Een klein aantal leiders bleef in onderling overleg achter om de revolutionaire syndicaten te leidden.

Nadat de oorlog was uitgebroken had de ideologische ontwikkeling van het Italiaanse nationaalsyndicalisme een onomkeerbaar punt bereikt: De synthese van syndicalistisch socialisme en radicaal nationalisme, dat zich in 1914 begon te ontwikkelen, maakte een gigantische evolutie door. Dit leidde in 1917 tot een proces, waarin dit syndicalistisch socialisme een meer en meer nationaal karakter begon te ontwikkelen en zich steeds meer begon af te zetten tegen haar marxistische oorsprong. In het laatste jaar van de oorlog publiceerde Alceste De Ambris de krant Il Rinnovamento, dat zich gaandeweg zou ontwikkelen tot het belangrijkste orgaan van de nationaalsyndicalistische stroming.

Van Marxisme naar Corporatisme

Uit de intellectuele stroming rond Alceste De Ambris werd in 1918 in Milaan de Unione Italiana del Lavoro (Italiaanse Unie van de Arbeid) opgericht. Tijdens de kritieke jaren van de “Bienno Rosse” (de rode vloedgolf van bedrijfsbezettingen in 1919-1920) werd de Italiaanse Unie van de Arbeid het intellectuele centrum van de nationaalsyndicalistische stroming. In maart 1919 vond in Dalmine (Bergamo) de eerste actieve bezetting plaats bij hetmetaalbedrijf Franchi en Gregorini. (…) De leiding was in handen van een oud-interventionist en Mussolini-aanhanger. De bezetters waren hoofdzakelijk leden van de Unione del Lavoro (…) Als een bijzondere gebeurtenis moet nog wel Mussolini’s bezoek aan deze fabriek na de bezetting genoemd worden en de prijzende woorden die hij daarbij uitsprak over deze ‘creatieve staking’. Ook in zijn krant, Popolo d’Italia, had hij al op het belang van deze ‘nieuwe stakingsmethode’ gewezen. De vorming van een arbeidersraad was een ‘prijzenswaardig streven tot het opzij zetten van de zogenaamde burgerklasse bij het beheer van de productie’. Na 3 dagen werd de fabriek met behulp van de politie ontruimd.

De syndicale leiders van de bezetting stelden de manipulaties door de PSI-leiding verantwoordelijk voor de nederlaag. Toen in augustus 1920 de nationaalsyndicalisten de controle over de noordelijke industriële gordel wisten over te nemen, waren zij zich dan ook volledig bewust van het gevaar en de gevolgen van een militair ingrijpen door de autoriteiten. Hieruit trokken zij uiteindelijk de conclusie dat succes alleen verzekerd kon worden als de arbeiders in staat zouden zijn om de  gehele industriële sector over te nemen. Enkel op die manier zou de staat, en dus haar capaciteit tot “reactie”, kunnen worden geneutraliseerd ten gunste van de proletarische natie. Gedeeltelijke ‘algemene stakingen’ werden door hen dan ook gezien als ‘ineffectief’ en zouden bovendien enkel leiden tot meer repressie, omdat de syndicalisten niet in staat zouden zijn om een fatale klap uit te delen aan het staatsapparaat. Dit leidde tot de introductie van een meer corporatistisch (= klassesamenwerkings)model dat fundamenteel verschilde van het marxistische (= klassenstrijd)model, dat ongeveer 20 jaar eerder het theoretische uitgangspunt van het syndicalisme was.

De Ondergang van het Nationaal Syndicalisme

In 1919 richtte Benito Mussolinide Fascio di Combattiment op (= Strijdbond); waarmee het Italiaanse fascisme was geboren. Hoewel Mussolini tijdens de ‘Rode Week’ nog als overtuigd socialist geloofde dat het socialisme in staat zou zijn om de gevestigde orde omver te werpen, kwam hij in1914 met de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog tot de conclusie dat deze ideeën niet langer in de praktijk gebracht zouden kunnen worden – dit door zijn teleurstelling in het internationale proletariaat, dat tegen de Wereldoorlog géén socialistische wereldrevolutie had ontketend. Het revolutionaire subject diende vanaf dat moment het nationale proletariaat te zijn. Vandaar ook de benaming nationaalsyndicalisme. Echter, in de zomer van 1920 brak Mussolini definitief met zijn revolutionaire verleden en nam hij abrupt afstand van zijn socialistische (en ten dele ook syndicalistische) oorsprong.

Binnen dit nieuwe concept van het fascisme werd de toekomst van het proletariaat thans verbonden aan dat van de productieve bourgeoisie. Dit kon echter enkel plaats vinden binnen een systeem dat het kapitalisme in stand hield. Als het “nationaal belang” betekende dat het socialisme diende te worden bestreden en economische groei de positie van Italië in de wereld veilig zou dienen te stellen, dan betekende dit dat het fascisme tot verdediger (apologeet) van de bourgeoisie diende te worden.

De fascistische partij (PNF) die in 1921 werd opgericht, vertoonde dan ook nog maar weinig gelijkenissen met het originele nationaalsyndicalistische Fasci-programma die haar voorafging. Een opportunistische zwenk naar rechts was immers altijd een beproefd recept voor electoraal politiek succes (alsmede voor parlementaristisch carrièrisme!).

Hoewel in 1919-1920 de revolutionaire syndicalisten en de socialisten die Mussolini al sinds lange tijd waren gevolgd nog de belangrijkste kern van de fascistische
beweging vormden, werd het fascisme binnen de kortste keren overgenomen door de liberale bourgeoisie, de staatsbureaucratie, delen van het leger, alsmede de katholieke kerk. De nationaalsyndicalisten werden monddood gemaakt ten gunste van de collaboratie met de reactie. “Niets buiten de staat, niets tegen de staat, alles voor de staat”, werd het nieuwe credo van de reactionaire totalitaire staat. Het staatsbegrip (etatisme) werd hiermee het nieuwe door het fascisme nagestreefde ideaal.

Hierdoor werden de massa’s gevangen gehouden in nationaalsyndicalistische retoriek, echter zonder de bijbehorende essentie: De nationaalsyndicalistische geest en ideologie. Alles wat als ‘nationaalsyndicalisme’ werd gepresenteerd, werd verstoord door de reactionaire elementen van het fascistische regime. Vele nationaalsyndicalistische activisten moesten dit verraad uiteindelijk met de dood bekopen.

Nationaal-Syndicalisme in de 21e eeuw

Het is moeilijk om vandaag de dag de nationaalsyndicalistische idee bespreekbaar te maken. Historici, de media en de meest rancuneuze mensen, of deze nu ‘rechts’ of ‘links’ zijn, vereenzelvigen het nationaalsyndicalisme zonder meer met het reactionaire fascisme. Hiermee doet men onrecht aan een groots en oprecht idee dat ook in de 21e eeuw haar relevantie nog niet heeft verloren.

Nationaalsyndicalisme is de totale idee omtrent het politieke, sociale en economische leven. Het baseert zich op het gedachtegoed van de Fransman Georges Sorel (1847 – 1922), de grondlegger en meest vooraanstaande theoreticus van het revolutionaire syndicalisme.

In tegenstelling tot de marxistische doctrine staat het een socialisme voor dat (een beperkt) individueel bezit toestaat en dit tot op zekere hoogte respecteert. Het wil niet de samenleving ruïneren, maar (een beperkt) particulier bezit benutten binnen een kader van nationale en sociale disciplines. Dit binnen een algehele conceptie van rationele economische organisatie ten gunste van de arbeidersklasse en de natie. Nationaalsyndicalisme streeft naar het creëren van een nieuwe samenleving en de geboorte van een nieuwe en progressieve vorm van samenleven gebaseerd op de symbiose (versmelting) van nationalisme en socialisme.

Zowel nationalisme als socialisme willen de sociale fundamenten die door het liberalisme (individualisme) zijn vernietigd herscheppen met een geheel nieuwe
politieke, sociale en economische structuur. Het is het proletariaat dat de enthousiaste uitdrager zal zijn van deze nieuwe orde. Nationaalsyndicalisme is noch ‘links’ noch ‘rechts’ in de traditionele (partijpolitieke) betekenis van het woord: het bouwt op de autoriteit al naar gelang de behoeften van de arbeidersklasse. Het is deze symbiose tussen natie en proletariaat die noodzakelijk is voor het overleven van de natie als zodanig. Het streeft naar een maatschappij die aan de proletarische klasse toebehoort en tegelijk nationaal gericht is. Het strijdt voor een nieuw politiek en economisch regime, dat syndicaal is in zijn puurste essentie. De moderne wereld dient uit de handen van de plutocratie te worden gerukt.

Dit alles impliceert dat het nationaalsyndicalisme zich op de grondslag stelt van de klassenstrijd:

1. Als gegeven feit en harde economische realiteit in het huidige kapitalistische systeem.
2. Als onmisbaar wapen van de uitgebuitenen en onderdrukten in de economische strijd tegen de bourgeoisie (de heersende kapitalistische klasse).
3. Als revolutionaire katalysator in de strijd om de macht en voor de  omverwerping van het heersende systeem.

Het nationaalsyndicalisme stelt zich op het standpunt dat deze machtsovername uitsluitend langs niet-parlementaire weg, d.i. langs de weg van de directe actie, gerealiseerd kan worden. Een bijzondere taak komt in dit verband toe aan de algemene staking als het instrument om het huidige kapitalistische systeem omver te werpen.

Nationaalsyndicalisme is het alternatief voor het huidige liberaal kapitalistische economische stelsel, en de verburgerlijking van het socialisme. Dit luidde het einde in van de oorspronkelijke revolutionaire gedachte. Nationaalsyndicalisme streeft naar een syndicalistisch socialisme. Het beschouwt socialisme als een aspiratie voor een gelijke en broederlijke samenleving, als het middel om de natie te transformeren. Het beschouwt socialisme niet uitsluitend als het product van kapitalisme en sociale krachten, maar tevens als een product van de menselijke natuur die gekarakteriseerd wordt door een vaststelling van gerechtigde en morele waarden. Het is derhalve tevens het product van de menselijke wil en waarden zoals een gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Het komt voort uit de mens en zijn oneindige diversiteit aan intellectuele, ethische
en emotionele reacties.

Socialisme kan het bourgeois-egoïsme niet effectief bestrijden met plat arbeidsmaterialisme. Het is zowel een gevoel als een wetenschap. Het voldoet als het
socialisme in haar toekomst gelooft. Het is niet enkel een verzameling van abstracte ideeën of een logische gevolgtrekking van de huidige economische situatie. Het is het vermogen om in een mythe te voorzien dat de socialistische visie van de toekomst zichtbaar maakt: de massa’s zullen dienen te geloven. De wortel van al onze acties is immers ons instinct. De essentiële motivatie van de arbeidersbeweging is eerder een gevoel van zelfrespect dan een zaak van materiële belangen. De nationaalsyndicalistische beweging zal het regime van het kapitaal verdringen en de heroïsche waarden van het proletariaat laten triomferen over de verachtelijke materialistische waarden van het kapitalisme dat Europa momenteel smoort.

Deze opstand van kracht en bloed tegen de heerschappij van het geld zal uiteindelijk eindigen met de ineenstorting van de plutocratie. De dag zal komen dat de heerschappij van het geld zal worden vernietigd door een serieuze heropleving van heroïsche nationale en proletarische waarden en door een waarachtig revolutionair sentiment.

De Zeven Beginselen van het Nationaalsyndicalisme:

1. Nationaalsyndicalisme staat voor sociale gelijkheid en erkent het recht van het individu om voor zichzelf en zijn gezin te werken, zolang dit niet het algemene belang schaadt. Als de scheppingskracht van het individu wordt vernietigd, dan wordt de vooruitgang vernietigd. Om die reden zal het nationaalsyndicalisme nooit interveniëren in het kleinbedrijf (zij het agrarisch, zij het ambachtelijk).

2. Basisindustrieën (zoals de zware industrie, in het bijzonder de staalindustrie en de petrochemie benevens de energiesector) worden gesyndicaliseerd (= gesocialiseerd). De leiding wordt gekozen door iedereen die binnen het bedrijf werkt. De arbeiders zullen een arbeidersraad kiezen, die de plaats in neemt van de oude directie.

3. Syndicalisme staat voor arbeidersmacht over de industrie. De term ‘arbeider’ kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. In sommige politieke kringen worden ook technici, operators e.d. (in het algemeen al diegenen die in loondienst zijn) tot de ‘arbeidersklasse’ gerekend. Wij hanteren het begrip  ‘arbeider’ hier refererend aan de sociale positie. Het is vanuit de gelederen van deze arbeiders dat de dagelijkse leiding van het bedrijf (bedrijfsleiding) wordt  verkozen (= bedrijfsraad). De arbeidersgedelegeerden kiezen uit hun midden de bedrijfsleiding (op basis van het rotatieprincipe). De B.O.’s (= bedrijfsorganisaties) vormen de basis van de arbeidersorganisatie op bedrijfsniveau. De nationaalsyndicalistische organisatie op bedrijfsniveau komt hiermee overeen.

4. Controle over de industrie betekent volledige industriële democratie. De ‘staat’ (radenregering) zal enkel interveniëren op dit vlak wanneer het volk als geheel wordt uitgebuit door prijsopdrijving om onnodige winst te verkrijgen. Door de arbeiders als geheel verkozen, zal deze in het belang van de gehele arbeidersklasse handelen. Het belang van het collectief als zodanig heeft altijd voorrang boven het belang van een deel ervan; Dit door het terugdringen van iedere poging van speculanten om de beurs te gebruiken tegen de arbeiders en door het proletariaat de baas te maken over het bankwezen en de financiële instituties.

5. Iedere arbeider werkzaam binnen de industrie zal het in de betreffende bedrijfstak geldende standaardloon ontvangen als basisloon, welke automatisch zal toenemen als de nationale productiviteit toeneemt. Ter aanvulling zullen de arbeiders mee profiteren van de winst binnen de industrie; het aandeel van de individuele arbeider wordt bepaald door zijn dienstjaren en zijn aandeel in het productieproces.

6. Nationaalsyndicalisten zijn het er unaniem over eens wanneer zij stellen dat de vakbonden (= syndicaten) niet veranderd kunnen worden zonder de volledige instemming van de arbeiders. De organisatie van de arbeiders per bedrijf (B.O.’s) vormt de basis van het nationaalsyndicalisme en de steun die nodig is om in de toekomst de belangen van de werkende klasse te behartigen. Daarom zullen vakbonden een cruciale rol spelen, omdat zij onontbeerlijk zijn bij het gestalte geven aan de arbeiderscontrole over de industrie.

7. Ten alle tijde zal de werkende klasse het recht hebben om het stakingswapen in te zetten om zo haar sociale rechten te waarborgen. Echter, wanneer de industrie daadwerkelijk beheerd wordt door arbeiders, zijn stakingen en vergelijkbare acties eigenlijk overbodig en strijdig met de belangen van de werkende klasse.

NSP

4 COMMENTS

  1. Beginsel #4 (industriële democratie) levert een opmerkelijke relatie met ‘onze’ democratie: waar nationaal-syndicalisme de parlementaire democratie verwerpt ten faveure van de revolutie, gaat deze weer over op democratie indien het zelf in het zadel zit, zij het in een andere tak v/d maatschappij.
    Een ondersteuning als ‘Door de arbeiders als geheel verkozen, zal deze in het belang van de gehele arbeidersklasse handelen’ zou je ook over de parlementaire democratie van vandaag kunnen plakken. Ofwel; ”Als alle inwoners stemmen/verkiezen, zal in het belang van de inwoners gehandeld worden”. Nationalisten weten inmiddels beter, en blijkbaar deden/doen syndicalisten dat ook wat betreft parlementarisme.
    Maar wat zou de industrie anders maken? De enige indekking voor het syndicalistische ideaal is dat het nog niet de touwtjes in handen heeft gehad om het uit te voeren; haar gebrek aan praktisch succes maakt de theorie smetvrij.

    Ook is het uitgesproken revolutionaire aspect iets waar niet iedere (volks-)nationalist gelijk warm voor loopt, vermoed ik. Revoluties, gewapend of niet, zijn Europa zelden goed gezind geweest, en hebben veel schade aangericht. Ik denk aan de Franse, de Russische en de seksuele, om er een paar te noemen.
    De neiging van een deel van de syndicalisten om met de overwegend liberaal-democratische Entente Cordiale ten strijde te trekken tegen ‘de reactie’ is ook een beslissing die weinig nationalisten zouden maken, zij het met de blik van nu terug geworpen en de gevolgen kennende.

    Maar ik ratel een beetje door. Goed stuk!

    • “Maar wat zou de industrie anders maken?”

      Industriele democratie verschilt van burgerlijk parlementarisme in de zin dat het directe democratie is (decentralistisch federalisme) en naast de politieke- ook de economische macht in handen van de werkende (lees: producerende) bevolking plaatst. Dat is een belangrijk verschil.

      Het probleem met de burgerlijke liberaal-democratie is dat de “verkiesbare” politieke macht gestuurd en in het zadel geholpen wordt door de macht van het grote geld: diegenen die de economische macht hebben. De politiek mag dan wel “publiek” heten, de economie is particulier en in handen van een kleine groep rijke monopolies. En het is de economie die de politiek stuurd niet andersom; zeker niet in de globalistische wereld van vandaag de dag. Dat is dus geen democratie, maar plutocratie; achter de parlementaire facade zit de schaduwmacht van het grote geld, de kosmopolieten met hun lobbies en achterkamerpolitiek.

      De syndicalisten overkomen dit door het werkende volk zowel de politieke als de economische macht te geven ten gunste van zelfbestuur voor het volk als geheel. Door de burgerlijke heersende klasse te onteigenen zijn er geen tegengestelde klassenbelangen meer: het algemeen volksbelang is dan wat de politiek stuurt; het volk bestuurd dan in meest letterlijke zin zichzelf.

      “Ook is het uitgesproken revolutionaire aspect iets waar niet iedere (volks-)nationalist gelijk warm voor loopt, vermoed ik.”

      Dat valt te bezien; het nationaalsyndicalisme is een (volks-)nationalistische traditie. Zowel het fascisme als het nationaal-socialisme waren aanvankelijk zeer revolutionaire bewegingen. En zowel in Italie, het Iberisch schiereiland als in (Sudeten-)Duitsland waren deze bewegingen in beginsel ontsproten uit de revolutionairsyndicalistische bewegingen van die tijd.

      In die zin representeerd het syndicalisme de bron of de grondslag waar de (volks-)nationalistische bewegingen in het interbellum uit voort kwamen. Dat gegeven mag mettertijd wat onder gesneeuwd zijn geraakt, maar iedere nationalist zou eigenlijk het filosofisch belang voor hun beweging ervan moeten (er)kennen.

  2. Interessant stukje geschiedenis en uiteenzetting van wat Nationaalsyndicalisme allemaal behelst. Pluim voor de schrijver.

    Verder nog mijn volgende opmerkingen over Nationaalsyndicalisme. Het democratische aspect van verkiezingen zou niet nodig moeten zijn binnen blanke organisch samenwerkende mensen met verschillende kwaliteiten. Punt 7 klinkt mooi, maar is naar mijn idee wat te naïef, te utopisch. Het homogeen etnische aspect als noodzakelijk ingrediënt voor het succesvol creëren van welvaart voor het volk ontbreekt volgens mij.

    • Het gaat erom dat om “organisch” te kunnen zijn het volk tot een algemene consensus moet komen. Nationaalsyndicalisme sluit leiderschap dus niet uit, maar stelt enkel dat dit leiderschap enkel mag bestaan bij gratie van het volk.

      Daarom is het belangrijk dat deze leiders zowel aan- als afgesteld moeten kunnen worden door het volk als geheel. Dat is echte democratie: zelfbeschikking voor het volk.

      Punt 7 is eigenlijk heel logisch: als de burgerlijke klasse wordt onteigend ten gunste van zelfbestuur dan is iedereen werkende klasse: dan is de proletarische natie een voldongen feit. Immers is de economie dan in handen van de producenten en zijn onproductieve parasieten en speculanten verleden zaak.

      Als er zowel een organisch economisch- en politiek zelfbestuur is die het volk als geheel vertegenwoordigt, waarom zou men dan nog moeten staken in strijd met het algemeen belang? Het algemeen belang is dan immers collectief bepaald voor en door het volk; wie zich er dan tegen keert, keert zich tegen het volk.

      Nationaalsyndicalisme sluit het homogeen etnisch aspect geenszins uit. In Italie en op het Iberisch schiereiland uitte het nationaalsyndicalisme (net als het fascisme) zich relatief staatsnationalistisch. In Sudeten-Duitsland daarentegen was het juist een uiting van het volksnationalisme van de Sudeten-Duitse minderheid en hun vakbonden tegen de Tsjecho-Slowaakse meerderheid.

      Het is een politieke filosofie en economisch strijdmiddel dat vele verschillende invullingen kent. Het bied een geschiedkundige praktijkles, maar wel een die naar deze tijd en context vertaald dient te worden.

Comments are closed.