Jahwe is een Arabier

Hoewel Joden en Arabieren vaak lijnrecht tegenover elkaar staan, hebben zij mogelijk meer gemeen dan zij willen toegeven. De Joodse god Jahwe zou volgens literair-kritisch onderzoek afkomstig zijn van het Arabische schiereiland. Jahweh als een uitgeleende god, uitgeleend maar nooit teruggegeven.

Het conflict in het Midden-Oosten draait om de haat tussen de Joden en de omringende Arabische volkeren. Feit is dat zij in hun haat voor elkaar, in hun projecties van agressie en wraak, weer veel op elkaar lijken. De Nederlandse film ‘Jezus is een Palestijn’ (1) heeft een satirische titel, maar het bevat meer werkelijkheid dan je op het eerste gezicht zou denken. Dit artikel behandelt een aspect van een gezamenlijke voorgeschiedenis van Joden en Arabieren, namelijk dat volgens literair en historisch onderzoek naar de Bijbel de Joodse god Jahwe afkomstig zou zijn uit het gebied dat wij nu kennen als Saoedi-Arabië. Voor een goed begrip van deze hypothese moeten we eerst een paar woorden zeggen over de Bijbel als literair-historisch document. De Bijbel is een verzameling boeken waarin vele historische en mythologische elementen zijn verzameld, zowel van het Joodse volk als van de hen omringende volkeren. Door de tijd heen is er voortdurend aan deze verhalen geschaafd. Delen werden verplaatst en vermengd met andere elementen, woordgebruik en namen werden aangepast, volgordes werden veranderd enz. Het literair-kritisch onderzoek heeft in de Bijbel vier hoofdstromingen geïdentificeerd: de Jahweh, de Elohist, de Deuteronomist en de Priester.

Dit zou de ongerijmdheden en elkaar tegensprekende elementen in de Bijbel kunnen verklaren. In fragmenten die door de Jahwist zijn bewerkt wordt God bijvoorbeeld aangeduid met de naam ‘Jahwe’ en heet de berg waar deze verschijnt aan Mozes de ‘Sinaï’. In fragmenten van de Elohim heet de berg ‘Horeb’ wordt God aangeduid met ‘Elohim’. Het interessante van die laatste benaming is trouwens dat dit een meervoudsvorm is! Vergelijk het Hebreeuwse ‘goj’ met het meervoud ‘gojim’. Het eerstvertelde scheppingsverhaal in de Bijbel is afkomstig van de Elohist, het tweede van de Jahwist. De Jahwist wordt geplaatst in de tiende eeuw voor Christus en in het zuidelijke Joodse koninkrijk Juda. De Elohist zou ontwikkeld zijn in de negende eeuw en in het noordelijke Joodse koninkrijk Israël. Dit artikel gaat in op de theologie en geschiedenis zoals die door de Jahwist, de oudste literaire stroming van de Bijbel, geschetst wordt. Volgens het boek Deuteronomium kwam Jahwe van de Sinaï (Deuteronomium 33:2; Psalm 68:18).

Daar is het dat Mozes hem voor het eerst ontmoet, en daar leidt Mozes zijn volk naartoe op hun vlucht uit Egypte. En twee jaar later beveelt Jahwe Mozes om van Sinaï naar Palestina te gaan om daar een land te veroveren voor zijn volk. Maar waar ligt Sinaï? Het boek Exodus verhaalt hoe Mozes gezocht wordt voor moord en wegvlucht uit Egypte naar het land van de Midjanieten. Hij verblijft daar bij een priester van de Midjanieten, en trouwt een van zijn zeven dochters. (Exodus 2:15-21). Mozes krijgt bij haar twee kinderen: Gershom en Eliezer. Terwijl hij de kudde van zijn schoonvader hoedt bij de berg ‘achter de woestijn’ hoort Mozes Jahwe zijn naam roepen. (Exodus 3:1) We mogen dus concluderen dat Sinaï ligt in Midjan. Maar waar ligt Midjan? Griekse auteurs uit de oudheid plaatsen Midjan unaniem in noordwest- Arabië, aan de overzijde van de straat van Akaba. Dit was ook de mening van de apostel Paulus, die zelf drie jaar in Arabië verbleef (Brief aan de Galaten). Om Midjan te lokaliseren in het schiereiland tussen Israël en Egypte dat tegenwoordig ‘Sinaï’ genoemd wordt zou niet logisch zijn, aangezien dit schiereiland altijd door Egypte beheerst werd, terwijl de Joden onder Mozes juist wilden ontkomen aan de macht van de Egyptische koning. 

We kunnen de locatie van de berg Sinaï ook afleiden uit zijn kenmerken zoals die beschreven worden in de Bijbel. Zo heet het in het prachtige Nederlands van de Statenvertaling: “En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs. En de ganse berg Sinaï rookte, omdat de HEERE op denzelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefde zeer” (Exodus 19:16-18).

Als de berg schudt als een vulkaan, brult als een vulkaan, rookt als een vulkaan en vuur spuwt als een vulkaan, dan zal het inderdaad wel een vulkaan zijn. In het gebied dat tegenwoordig met ‘Sinaï’ wordt aangeduid heerst echter totaal geen vulkanische activiteit, maar wel in het noordwesten van het huidige Saoedi-Arabië. Een goede kandidaat voor de vuurspuwende berg van Jahwe draagt de naam ‘Jabal Maqla’. De Bijbel zegt over Jahwe tijdens de uittocht van de Joden uit Egypte: “En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.” Jahwe leidt de Joden als het ware in een visioen van zijn vulkanische activiteit. En we kunnen ook stellen dat Jahwe verderop in de Bijbelverhalen zijn ‘vulkanische karakter’ duidelijk laat blijken, tot aan een bevel tot genocide toe (zelfs de dieren worden niet gespaard) (1 Samuel 15:3). Het lijkt er daarbij op dat de eredienst voor Jahwe geen eigen vinding is van Mozes, maar dat Mozes eenvoudig de god van zijn schoonvader overnam, die immers priester was. De plek waar Mozes Jahwe ontmoet was waarschijnlijk al bekend als heilige grond (Exodus 3:5). Als Mozes weggetrokken is met zijn volk vanuit Egypte naar Midjan gaat hij zijn schoonvader alles vertellen wat Jahwe voor het volk heeft gedaan. In de dankzeggingsceremonie die volgt is het zijn schoonvader die als priester van Jahwe optreedt, terwijl Mozes en zijn broer Aaron slechts deelnemers zijn (Exodus 18:12). Bovendien benadrukt de Bijbel telkens weer dat als een man trouwt met een niet-Joodse vrouw hij voortdurend geneigd is om haar godsdienst over te nemen. Dit zou dan ook zeker voor Mozes kunnen gelden. Dit blijkt ook uit het feit dat het zijn Midjanietische vrouw is die de besnijdenis invoert, als zoenoffer aan Jahwe als deze Mozes wil doden (Exodus 4:24-26). 

Mozes introduceerde echter wel een belangrijke vernieuwing in de Midjanietische cultus: Jahwe werd mobiel. Jahwe beveelt Mozes een tent te laten maken met daarin de ‘Ark des Verbonds’. Deze tent voerden de Joden mee op hun veroveringstochten. En als Mozes deze tent inging ‘zo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur der tent (…) En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt’ (Exodus 33:9-11).

Dat hij zijn vaste cultusplek verliet was het begin van Jahwe’s lange evolutie van vulkaangod tot de overal aanwezige ‘God van hemel en aarde’. Uit deze gegevens kunnen wij met vrij grote zekerheid afleiden dat Jahwe inderdaad eerst een lokale Arabische godheid was, die door de Joden van de Midjanieten werd overgenomen. Het zou mooi zijn als zowel Joden als Arabieren deze gemeenschappelijke oorsprong goed voor ogen houden om de onderlinge haat te verminderen. Ze kunnen daarbij wellicht een lichtend voorbeeld vinden in de christelijke oecumenische beweging. Immers: hoe meer mensen gemeenschappelijk hebben, doe groter de kans op een vreedzaam samenleven. Homogeniteit is onze kracht.  

Verdere informatie: 

(1) de speelfilm “Jezus is een Palestijn” van regisseur Lodewijk Crijns, met o.a. Hans Teeuwen en Kim van Kooten

(2) de documentaire ‘Finding the Mountain of Moses: The Real Mount Sinaï in Saudi Arabia.’ (https://www.youtube.com/watch?v=YjrxHqNy5CQ)

Het artikel dat u heeft gelezen is de persoonlijke mening van de inzendende auteur en geeft niet noodzakelijkerwijs de visie van Erkenbrand weer.