Insjallah

2
722

Een Nederlander met hart voor zijn volk en cultuur heeft het niet makkelijk. Hij wordt gedemoniseerd door de pers en de politiek, en daarom keren veel van zijn eigen volksgenoten, soms zelfs zijn eigen familieleden, zich met een mengsel van angst en afschuw van hem af. Als hij een antwoord krijgt op zijn ongemakkelijke vragen, krijgt hij te horen dat de omvolking een domme, rechtse complottheorie is. De leiders uit de politiek en de media kunnen zich dit nog aan zichzelf voorhouden, omdat zij in een blanke buurt wonen. Maar in veel wijken is de verdringing van de echte Nederlanders al lang een feit. Als jouw naam de enige Nederlandse naam is in een portiek, als je in de supermarkt omringd bent door een zee van vreemde gezichten, als de mensen onder je raam alleen maar onverstaanbare keelklanken uitstoten, dan blijkt de omvolking een dagelijkse realiteit.

Ook ik ben een bewoner van één van die overgenomen, ‘verkleurde’ wijken, die men tegen beter weten in heeft omgedoopt tot ‘kansenwijken’, uiteraard bewoond door ‘kansenjongeren’. Toen ik er kwam wonen was ik nog een idealistisch, verblind linksmens. Nu mij de schellen van de ogen zijn gevallen en ik om me heen kijk, grijpt de vervreemding me vaak bij de keel. Het voelt alsof ik gedwongen op reis ben, verbannen uit het Nederland van mijn jeugd. Dat Nederland komt weer tot leven als ik mij kan wijden aan onze literatuur, van grootheden als Couperus, Elsschot, Hermans, Bomans of Marten Toonder. Maar als ik daarna televisie kijk of in de wijk rondloop ben ik weer met mijn Nederlandse gedachten alleen. “Alleen in mijn gedichten kan ik wonen” schreef Slauerhoff, mijn echte woonomgeving is van de Nederlandse cultuur vervreemd.

Telkens als ik zo met de neus op de feiten wordt gedrukt rijst in mij het verlangen te vluchten naar een meer blanke wijk, maar daarvoor ontbreken mij de financiële middelen. Trouwens, door het spreidingsbeleid van de machthebbers achtervolgt die ‘diversiteit’ je tot in de verste uithoeken van ons land. In deze vervreemdende situatie strijden bij mij ontmoediging en verzet om de voorrang. Deze kluwen van impulsen zoekt in mij een uitweg. Omdat de vreemdelingen het meest in het oog springen, gaat alles aan hen me dan irriteren: van de auto’s die met hun keihard jengelende muziek de openbare ruimte opeisen tot de jurken waarin de mannen rondlopen, van de opdringerigheid bij de kassa tot het rondhangen en opeisen van de straat of het zwembad. De blingbling, de onverstaanbare luidruchtigheid, de vet rondwaggelende onbeschaamdheid, het wordt me dan allemaal te veel.

Er zijn echter ook geregeld momenten dat deze irritatie plaatsmaakt voor een soms onverwachte, en ook wat onwillige, erkenning van een vriendelijkheid van vreemdelingen. Allereerst geldt dat natuurlijk voor mijn kennissen en vrienden uit den vreemde. Maar ook contacten met mensen in winkel, stadsdeelkantoor of bibliotheek kunnen door hun vriendelijkheid en professionaliteit even een opening maken in de dreigende wolk van onbekendheid en mijn rondwoelende gedachten wat tot ontspanning brengen.

Een belangrijk voorbeeld is mijn vroegere Marokkaanse buurman. Toen ik in mijn vorige huis kwam wonen nodigde ik hem uit om kennis te maken. Hij vertelde dat zijn ouders hem bewust in Marokko hadden laten opgroeien, omdat volgens hen de Marokkanen in Nederland bijna allemaal niet deugen. Ik moet dan denken aan president Trump die zei over de illegale Mexicaanse immigranten die Amerika overspoelen: “When Mexico sends their people, they are not sending their best.” Toen mijn buurman achttien werd kwam hij naar Nederland, omdat het leven in Marokko geen perspectief bood: “Er is daar niets”. Hij deed hier een academische studie, en een serieuze. Geen flutstudie zoals bijvoorbeeld Vrouwenstudies, Bestuurskunde of Journalistiek. Hij wilde absoluut niet met de ‘Neder-Mocro’s’ geassocieerd worden en koos bewust niet voor het bekende ‘mocrokapsel’, met de opgeschoren zij- en achterkant.

Toch voelde hij zich, ondanks zijn Westerse studies, steeds meer aangetrokken tot de islam. Hij vertelde dat hij wel van huis uit moslim was, maar dat hij er in Marokko weinig aan deed en zich weinig aantrok van de geboden. Nu echter, in een vreemd land en een vreemde cultuur, had hij de weg terug naar zijn voorvaderlijk geloof gevonden. Alcohol en dansfeestjes waren taboe geworden, en de islamitische gebedstijden kregen een steeds grotere plaats in zijn leven. In zijn enthousiasme bleek hij zelfs in mij wel een potentiële bekeerling te willen zien. Dat hield ik maar een beetje af, met behulp van de restanten van mijn christelijk geloof, dat hij overigens met respect benaderde.

Wat ik wel een beetje alarmerend vond was dat hij nu, tegen de wil van zijn ouders in, toch het contact met zijn mede-Marokkanen had opgenomen. Want hij had er nu meer begrip voor waarom ze zo vaak crimineel waren, zei hij. Dat lag aan de Nederlandse maatschappij. Hier zien we dus hoe in een vervreemdende multi-etnische maatschappelijke omgeving de etnische solidariteit uiteindelijk belangrijker blijkt dan klassenverschillen, zelfs tussen zulke extremen als geseculariseerde criminelen en strenggelovige academici.

Aan het einde van het gesprek gingen we vriendelijk uiteen, maar het contact bleef voor de rest oppervlakkig. Ik zag hem een paar keer per dag zich naar de moskee spoeden. Dan wuifden we soms even. We groetten elkaar ook vriendelijk op de trap, maar het was wel duidelijk dat we in twee totaal verschillende werelden leefden. Desalniettemin heeft deze ervaring me niet aangezet tot meer irritatie over de vreemdelingen in ons midden, juist het tegendeel.

In mijn beste ogenblikken zie ik zowel mijn vroegere Marokkaanse buurman als mijzelf als drenkelingen, worstelend in de storm van het globalisme, allebei verlangend naar een thuis. Het is misschien een vlaag van mijn vroegere naïeve idealisme, maar ik hoop toch nog steeds op een overeenstemming om op een nette manier uit elkaar te gaan, met een redelijke boedelscheiding en schadeloosstelling.

Is zoiets wel mogelijk? Met name wat Arabieren en islamieten overheerst de scepsis. Als we een blog als GeenStijl mogen geloven, zijn al deze mensen mesjogge en moorddadig. Nu valt moeilijk te ontkennen dat de betrekkingen tussen Europa en de islamitische wereld al vele eeuwen zeer vijandig zijn. Van islamitische zijde kennen we bijvoorbeeld de veroveringstochten in Spanje, Frankrijk en op de Balkan en het roven en verhandelen van miljoenen blanke slaven. Pas in de achttiende eeuw is Europa sterk genoeg om hier een halt aan toe te roepen. In de negentiende eeuw wordt de islamitische wereld zelfs in belangrijke mate onder Westerse invloed gebracht. Met het verminderen van de militaire dreiging zien we echter ook een meer positieve waardering van de islamitische wereld opkomen. Van Montesquieu tot Mozart, van René Guénon tot de post-Romantische dichters en T. E. Lawrence: allemaal zoeken of projecteren ze in het ‘exotische’ Oosten positieve elementen, die vaak ontbreken in de Europese maatschappij.

Deze positieve visie werd pas doorkruist door de spanningen die leidden tot de stichting van de staat Israël in 1948. De Westerse staten, de VS voorop, stelden zich in toenemende mate exclusief op achter Israël, en bemoeiden zich veel intensiever dan tevoren met de politieke toestand. Dit gaat van het vermoorden van politieke vijanden tot het opzetten van coups en opstanden, tot zelfs regelrechte invasies. Het spreekt vanzelf dat hierdoor zowel aan Westerse- als aan islamitische kant vijandbeelden de kop opsteken die grotesk en misleidend zijn. Hiermee wil ik overigens zeker niet het bestaansrecht van Israël ontkennen. Het Joodse volk heeft niet minder recht op een eigen staat dan wij. Het gaat er alleen maar om dat we van de geschiedenis kunnen leren dat de relatie van Europa met de islamitische wereld en met de islamieten niet per se zo vijandig hoeft te zijn.

Ondanks de vervreemding en de irritatie hou ik dus toch de hoop levend dat we met de vreemdelingen – ook de islamitische – tot een vergelijk kunnen komen. Want bij al onze verschillen en geschillen hebben we een gemeenschappelijke vijand: het globalisme, dat ons tot ‘mensen van nergens’ maakt, zonder thuis en vermangeld door internationaal werkende economische krachten. Globalisme veroorzaakt ‘Verelendung’ op planetaire schaal.

Het zou mooi zijn als we een bondgenootschap zouden kunnen aangaan met de vreemdelingen om samen de zetbazen van het globalisme, de VVD-D66-penose, onschadelijk te maken. Dit lijkt misschien nu een verre droom, maar zoals de huidige coronacrisis laat zien kunnen zaken soms heel snel en heel onverwachts veranderen. Laten we ons daarom niet te veel overgeven aan gevoelens van vervreemding en irritatie. Alles “Op hoop van zegen”, zoals het Nederlands zegt. Of in het Arabisch: “Insjallah”.

2 COMMENTS

  1. “Ondanks de vervreemding en de irritatie hou ik dus toch de hoop levend dat we met de vreemdelingen – ook de islamitische – tot een vergelijk kunnen komen. Want bij al onze verschillen en geschillen hebben we een gemeenschappelijke vijand: het globalisme”

    De idee dat “de vijand van mijn vijand, mijn vriend is” is bedrieglijke (wan-) hoop en strategisch naïef.

    De geschiedenis van de islam in aanschouwing genomen, streeft deze altijd naar een hegemonie om niet te zeggen wereldheerschappij.

    Een alliantie aangaan met de islam is bijgevolg weinig verstandig. Zoals blijkt uit de Iraanse historie. De communisten steunden toetertijd de ayatollah, vanuit hun afkeer tegen de door de V.S. gesteunde Sjah. Echter na de islamitische revolutie waren de communistische (atheïstische) nuttige idioten overbodig en werden ze koudweg “kaltgestellt”.
    De verblinding tegen de imperialistische en kapitalistische Verenigde Staten Amerika (excuus: de Verenigde Staten van Israel) zorgde dus voor de ondergang van de communisten in Iran.

    Staat er overigens in de koran niet: Neemt geen ongelovigen tot vriend?

    “Van islamitische zijde kennen we bijvoorbeeld de veroveringstochten in Spanje, Frankrijk en op de Balkan en het roven en verhandelen van miljoenen blanke slaven. Pas in de achttiende eeuw is Europa sterk genoeg om hier een halt aan toe te roepen.”

    Inderdaad de geschiedenis toont helder aan dat de islam, zij het de Mongolen, Turken of Arabieren altijd imperialistisch zijn. En dat de verovering van het groene en blanke Europa altijd op de agenda staat van de woestijnbewoners, is het niet met het zwaard dan wel demografisch met de baarmoeder.

    “Met het verminderen van de militaire dreiging zien we echter ook een meer positieve waardering van de islamitische wereld opkomen. Van Montesquieu tot Mozart, van René Guénon tot de post-Romantische dichters en T. E. Lawrence.”

    De Europese interesse voor het exotische Midden-Oosten was slechts een tijdelijk mode verschijnsel, een academische interesse, een ondoordachte erotische projectie, weinig gestoeld op reële kennis van de islam.

    Geen idee of u kan genieten van vrijmetselaar Mozart’s, Turkse mars, doch ondergetekende is, met zowel het 1ste (1529) & 2de (1683) beleg van Wenen, als de huidige Turks gestuurde invasie van Griekenland en Europa in gedachte, niet echt opgezet met dergelijke exotische frivoliteit.

    “positieve elementen, die vaak ontbreken in de Europese maatschappij.”

    Gescheiden zwemmen? Halal? Honden en varkens verbieden? Kindhuwelijken? Polygamie?
    Graag enige voorbeelden en toelichting van die “positieve elementen”.

  2. “Ondanks de vervreemding en de irritatie hou ik dus toch de hoop levend dat we met de vreemdelingen – ook de islamitische – tot een vergelijk kunnen komen.”

    Wat voor soort “vergelijk” ziet de auteur voor ogen? Indien hij verwacht met de Marokkanen af te spreken dat zij weer terugkeren naar hun eigen land, kan ik alleen maar voorspellen dat hij van een koude kermis thuiskomt. Nederland heeft nu al de grootste moeite om de Marokkaanse staat er toe te bewegen zijn asielzoekers weer op te nemen. En de gemiddelde Mohammed zou wel gek zijn om terug te keren naar het Rifgebergte in plaats van in Nederland van de subsidie te leven.

Comments are closed.