Het bestaan en onderscheiden van ras

1
58
Maj. Michael Matchette reviews CT scans from a trauma patient Feb. 20 at the Air Force Theater Hospital at Balad Air Base, Iraq. The CT scan process goes directly from the scanning machine to the computer, which allows doctors to diagnose the severity of the patient's injuries faster. Major Matchette is a radiologist with the 332nd Expeditionary Medical Support Squadron and is deployed from Lackland Air Force Base, Texas. (U.S. Air Force photo/Senior Airman Julianne Showalter)

Dinsdag 17 oktober schreef Luc De Roy een artikel op de website van het Belgische VRT. In het artikel, getiteld “Genen voor huidskleur Afrikanen weerleggen verouderde ideeën over rassen”, wordt beweerd dat huidskleur de bepalende factor is voor het onderscheiden van rassen en daarmee de basis voor zogenaamd racisme vormti.

Dit lijkt op zich voor de hand liggend, veel mensen spreken immers over blank en zwart. Desondanks is het categoriseren uitsluitend op basis van huidskleur een redelijk recent verschijnsel. Toen Europeanen voor het eerst in contact kwamen met Australische Aboriginals werden zij niet als Afrikaans gezien maar als een aparte populatie. Dit was volledig terecht omdat de genetische afstand tussen Aboriginals en Bantoe Afrikanen de allergrootste afstand tussen twee, door onderzoekers vaak gebruikte indelingen van bevolkingsgroepen is. Dat Australische Aboriginals een huid hebben die vaak donkerder is dan Afrikaanse populaties bleef volledig buiten beschouwing. Ook wanneer mensen een albino uit Sub-Sahara Afrika zien denken alleen de meest sociaal geïsoleerde progressieven dat deze albino plots “blank” of Europees is. Afrikanen zien zelf ook het verschil tussen albino’s van hun ras en blanken. Dit is aangetoond door het feit dat veel albino’s moeten vrezen voor de mogelijkheid dat zij gedood kunnen worden en in stukjes verkocht kunnen worden omwille van lokale sjamanistische praktijkenii. Blanken hoeven zich minder zorgen te maken dat zoiets met hen gebeurt. Als laatste is er nog het voor de hand liggende feit dat wanneer een Europeaan bruin wordt van de zon, hij niet plotseling als minder blank of minder Europees wordt beschouwd. Dat huidskleur bepalend zou zijn is waarschijnlijk het resultaat van sociale conditionering, aangezien mensen rassen toch zullen onderscheiden wanneer het om albino’s gaat.

Populaties verschillen meer in de hersenen dan in huidskleur. Uit de vorm van de hersenen kan men tegenwoordig iemands genetische afkomst met zekerheid afleiden. Dit wordt bijvoorbeeld aangetoond in een artikel in ‘Current Biology’ getiteld: “Modelling the 3D Geometry of the Cortical Surface with Genetic Ancestry”. De onderzoekers schrijven: “Onze gegevens tonen aan dat de unieke vorm van gyri en sulci, nauw samenhangt met genetische afkomst. De geometrie voorspelt accuraat de genetische achtergrond van elk individu, zelfs in een bevolking die gevormd is door golven van migratie en genetische vermenging.”iii Een artikel in ‘BioMed’ getiteld: “Different level of population differentiation among human genes” toont aan dat genen gerelateerd aan de hypofyse, de patroonvorming van de neurale buis, de ontwikkeling van de achterhersenen, de regulering van neurondifferentiatie en de neurofysiologische ontwikkeling meer differentiëren tussen rassen dan de genen gerelateerd aan huidpigmentiv. Er is dus meer verschil tussen de rassen in de opbouw van de hersenen dan in huidskleur. Qua genetische opbouw is het makkelijker om mensen naar ras te onderscheiden op basis van hersenen dan op basis van huidpigment. Het idee dat uitsluitend huidskleur een ras bepaalt is erg vreemd.

Dus waarom gebruiken mensen dan toch vaker de termen “blank” en “zwart” in plaats van termen als “Europees” en “Afrikaans” (een benaming die ik zelf ook liever zou zien)? Dit komt voornamelijk door het Amerika-centrische beeld uit de Koude Oorlog. In 1951 bepaalde de VN simpelweg zonder onderbouwing dat ras niet bestaat. Destijds begon in de Verenigde Staten ook het gefaalde project om zwarte Amerikanen te emanciperen en integreren. Uit politieke overwegingen werd er met het gebruik van pseudowetenschap besloten dat alle rassen vrijwel gelijk zijn op huidskleur na. Huidskleur werd hiermee de doorslaggevende factor in het onderscheiden van rassen en vele decennia aan gevorderd antropologisch onderzoek verdwenen naar de achtergrond. Amerika dacht alleen nog maar in termen van blank en zwart en dit waaide over naar de rest van de (westerse) wereld.

Hoe zit het dan met de termen “blank” en “zwart” zelf? Ras bestaat niet in isolatie. Wanneer je alleen door gelijken omgeven wordt zal het nooit in je opkomen om naar iets als huidskleur te kijken. Er is immers maar één huidskleur in jouw wereldbeeld. Wanneer je met een ander volk die een compleet andere taal spreekt in contact komt zal je de meest voor de hand liggende kenmerken gebruiken om hen te beschrijven. De Portugezen noemden de Bantoes dus “negros” wanneer zij voor het eerst in contact kwamen. Dit sloeg over naar het Spaans en later naar het Engels, omdat de driedeling van rassen in de nieuwe wereld (namelijk indianen, Afrikanen en Europeanen) de behoefte voor zulke termen relevant had gemaakt. De rassen leefden nu niet meer in isolatie. Later werden indianen ook “redskins” genoemd en Aziaten werden geel genoemd. Blank en zwart bestaan dus vooral uit gemak en omdat het een gemeenschappelijk kenmerk is voor de Europeanen waarvoor de VS gesticht was.

Nu zal een lezer zich misschien afvragen wat deze tekst op een volksbewuste website doet. Als blank en zwart maar gewoon opgelegde termen zijn, waarom werk je er dan mee? Dat komt omdat de context waarin de termen gebruikt worden nagenoeg overeenkomt met de werkelijke genetische indeling. Een manier om dit te testen is een clusteranalyse. In zo’n analyse geven onderzoekers bijvoorbeeld 300 deeltjes DNA aan een computer en laten zij de computer deze indelen in een aantal clusters op basis van welke deeltjes het meest bij elkaar passen. Het enige wat de onderzoekers kunnen doen is het aantal clusters kiezen. In dit geval kozen zij er drie. De drie gekozen clusters kwamen genetisch 100% overeen met de inheemse inwoners van de continenten Europa, Afrika en Aziëv. In een andere studie die gebruik maakte van deze clusters werd er gekeken naar het ras waarmee een aantal participanten zichzelf identificeerden. De clusters werden hier “blank”, “zwart” en Aziatisch (met uitzondering van Zuid-Azië). 99,4% van blanken kozen de blanke cluster, 99,3% van zwarten koos de Afrikaanse cluster en 97,7% van Oost-Aziaten kozen hun eigen cluster. In andere woorden, de huidskleur waarmee mensen zichzelf identificeren komt nauw overeen met de best passende computer categorisering. Hoe meer DNA-deeltjes er toegevoegd werden, hoe nauwkeuriger de clusters werden. Deze bevindingen zijn bevestigd door vijf andere studiesvi. Verder komen Afrikanen in de VS veelal uit West-Afrika, wat de onderlinge genetische verschillen binnen de zwarte bevolking minder klein maakt. Bij zwarte mensen in Europa is dit minder het geval.

Er zijn mensen die menen dat deze verschillen niet uitmaken omdat ras niet bestaat. Deze bewering berust meestal op twee argumenten, het argument dat er meer verschillen binnen een groep zijn dan tussen twee groepen en het argument dat er geen duidelijke scheidingslijn is tussen twee rassen. Het eerste argument staat bekend als Lewontin’s drogreden, vernoemd naar de man die het argument verzonnen heeft. Het probleem met dit argument is dat omdat een getal groter is dan een ander getal, dit niet betekent dat het kleinere getal irrelevant is. Chimpansees en mensen delen 98,3% van hun DNA. Dit laat zien hoe kleine verschillen in DNA grote verschillen in uiterlijk voort kunnen brengen. Wanneer twee mensen willekeurig gekozen worden, verschilt ongeveer 0,5% van hun totale genoom. Dit lijkt weinig, maar wetende dat de lengte van het menselijk genoom uit ongeveer 3 miljard basenparen bestaat, maakt dat 15 miljoen basenparen die verschillen. Om dat in perspectief te brengen moet je maar bedenken dat sikkelcelanemie afhankelijk is van één basenpaar.

Een manier om de afstand tussen twee populaties te berekenen is met het gebruik van de fixatie-index (Fst). Stel je neemt twee groepen en kijkt naar alle genetische verschillen binnen de groepen en vervolgens naar de genetische verschillen tussen de groepen, dan is het percentage dat verschilt tussen de groepen ten opzichte van het verschil binnen de groepen de Fst-waarde. Lewontin onderzocht de Fst-waarde voor mensen en ondervond dat de Fst-waarde voor mensen 6,3% is. Op basis van deze waarde beweerde hij in zijn eentje dat ras daarom niet bestaat. Waarom 6,3% taxonomisch niet relevant is heeft Lewontin nooit uitgelegd. De Canadese Lynx, de epauletspreeuw, de Afrikaanse buffel, de veelvraat en de jaguar hebben elk een soortgelijke of lagere Fst-waarde en zijn allen verdeeld in meerdere ondersoortenvii. Sewall Wright, de bedenker van de fixatie-index vond dat Fst-waarden niks te maken had met taxonomie en bleef zelf nog gewoon bewust van ras als concept. Later onderzoek toonde aan dat de Fst-waarde dubbel zoveel is als wat Lewontin beweerde en legde het op 12%viii. Lewontin veranderde zijn mening niet, wat hij waarschijnlijk nooit zal doen, aangezien hij nooit duidelijk heeft gemaakt hoe hoog een Fst-waarde minimaal moet zijn. Op 12% komt de Fst-waarde overeen met kobs, bultrugwalvissen en zebra’six.

Dit wijst op een groter probleem in de taxonomie. Ondersoorten zijn volledig gebaseerd op fysieke kenmerken en niet op genetische diversiteit of afstand. Dit komt omdat het concept ondersoort nog dateert van voor genetisch onderzoek. Wolven die erg op elkaar lijken hebben bijvoorbeeld meer genetische diversiteit dan honden die onderling juist erg verschillen in uitzien.

Het tweede argument is makkelijk te verwerpen. Het argument is vergelijkbaar met bijvoorbeeld dag en nacht, omdat er geen duidelijke scheidingslijn tussen dag en nacht is, bestaan dag en nacht niet. Wanneer er veel variatie is in een soort, maar er geen clusters zijn waar de soort in groepen te verdelen is, is er sprake van continuïteit. Aangezien het ras waar mensen zich mee identificeren en de computer gegenereerde clusters sterk overeenkomen is genetische diversiteit niet te vinden in continuïteit maar in onderscheidbare populaties, met aan de grenzen van deze populaties wat vagere gevallen die een beetje in beide clusters passen (denk hierbij aan Mozabieten, Hazara’s, en kleurlingen). Het feit dat Afrikanen genetisch relatief ver van de niet-Afrikaanse volken af staan wijst er ook op dat er weinig continuïteit is tussen rassen is.x

In dit opzicht heeft Luc De Roy gelijk. Afrika heeft meer genetische diversiteit dan Europa. Dit komt overal voor rond de evenaar. Het aantal soorten planten en gewervelden neemt ontzettend veel toe rond de evenaar. Het zou dus erg kort door de bocht zijn om Afrikanen in één ras op te delen. Afrika heeft bijvoorbeeld populaties die honderd tot tweehonderdduizend jaar geleden zijn afgesplitst van de rest en daarna vrijwel geïsoleerd van de rest hebben geleefd. Een voorbeeld hiervan is de San bevolking die ook in het artikel worden genoemd, maar ook de vele verschillende pygmeevolken in Afrika die soms heel sterk verschillen van hun omliggende populaties in zowel uiterlijk als genen.

De grootste ironie hier is misschien wel dat er zoiets bestaat als “whiteness study” in de VS, maar ook in zekere mate in Europa. Deze “discipline” meent dat blank zijn slechts een sociaal construct is waar privileges aan verbonden zitten. Het grappige is dat blanken/Europeanen wel zeker een verifieerbare genetische groep zijn, maar zwarten/Afrikanen volledig een sociaal construct zijn. De term “negro” of zwart die oorspronkelijk voor Bantoes bedoeld was wordt nu ruimhartig gebruikt door allerlei mensen afkomstig uit Afrika, ondanks dat deze categorisering weinig basis in de realiteit heeft, afgezien van het feit dat Afrikanen vaak, maar niet altijd zoals aangetoond in het VRT-artikel, een donkere huid hebben.

Klaas

 

Bronvermelding

1 COMMENT

Comments are closed.