Een realistische visie op menselijke rassen

Het praten over het begrip ‘menselijke rassen’ leidt, in de naweeën van de Tweede Wereldoorlog, al snel tot bijzonder haatvolle reacties. Veel Nederlanders zijn ervan overtuigd dat er geen verschillen bestaan tussen menselijke rassen anders dan wat oppervlakkige uiterlijke kenmerken. Zelfs het onderscheid maken tussen verschillende menselijke rassen is doorgaans al voldoende om het etiket ‘racist’ opgeplakt te krijgen. Voorwaar geen geuzennaam! Het bestaan van menselijke rassen wordt ook vaak eenvoudigweg ontkend. Op de Wikipedia is zelfs het volgende te vinden:

Biologisch gezien bestaan er naar hedendaagse inzichten binnen de soort Homo sapiens echter geen rassen en algemeen gelden dergelijke indelingen in de wetenschap als verouderd.
Hoe beladen dit begrip is blijkt wel dat in de grondwet staat dat ‘ras’ een oneigenlijke grond is voor discriminatie. Dit staat vermeld in hetzelfde artikel. De referenties zijn ter plaatse op te vragen.
Een voorbeeld van het onbegrip omtrent het begrip ‘ras’ – en in het bijzonder menselijke rassen – is te vinden op de website van De Correspondent. Ik citeer:
Vanwege al die uitwisseling verschillen groepen mensen genetisch weinig van elkaar, vergeleken met andere diersoorten. En de verschillen tussen groepen die er wél zijn, komen niet overeen met wat in de volksmond vaak ‘ras’ wordt genoemd: bijvoorbeeld zwart, wit, Aziatisch. De Masai in Oost-Afrika  zijn bijvoorbeeld genetisch meer verwant aan Europeanen dan aan Khoisan uit het zuiden van het continent.
Wat hier echter over het hoofd wordt gezien is dat kleine genetische verschillen al bijzonder grote consequenties kunnen hebben. Een goed voorbeeld daarvan is in het dagelijkse leven overal zichtbaar: de verschillen tussen mannen en vrouwen. Mannen en vrouwen zijn genetisch volledig identiek op slechts één enkel verschil na. Een mens heeft 46 verschillende DNA-strengen of chromosomen die zijn erfelijk materiaal bevatten*. Elke DNA-streng is in tweevoud aanwezig waarbij één streng van de vader afkomstig is en de andere van de moeder. Er is één paar dat het geslacht bepaalt. Dit kan bestaan uit een XX-combinatie, hetgeen van een mens een vrouw maakt. En is dit een XY-combinatie, dan is het mens mannelijk. De 22 andere paren doen er wat het geslacht betreft in het geheel niet toe, het is het 23e paar dat bepaalt of het mens mannelijk of vrouwelijk is. Eenieder kan zien dat dit relatief zeer kleine genetische verschil bijzonder verstrekkende gevolgen heeft! Zo hebben vrouwen organen die mannen niet hebben, zoals ovaria en een baarmoeder, en zullen vrouwen borsten ontwikkelen. Mannen hebben een penis en zullen geen borsten ontwikkelen. Mannen zijn ook gemiddeld een stuk gespierder dan vrouwen en er is vrijwel geen enkele sport waarbij de vrouwen de mannen achter zich laten. Het scheiden van mannen en vrouwen bij sporten is echter bepaald niet controversieel en de biologische realiteit wordt hier probleemloos geaccepteerd.
De verschillen gaan echter veel verder dan dat. Ook qua persoonlijkheid zijn er grote verschillen tussen mannen en vrouwen. Het brein van een foetus vermannelijkt of vervrouwelijkt al in de baarmoeder onder invloed van hormonen die geproduceerd worden als resultaat van ofwel de XX-combinatie ofwel de XY-combinatie. Het mannelijke hormoon testosteron maakt een mens bijvoorbeeld agressiever en de zeer grote oververtegenwoordiging van mannen in de criminaliteit is grotendeels een gevolg daarvan. Dit is bepaald niet controversieel zolang het maar mannen zijn die het slachtoffer zijn. Vrouwen zijn empathischer dan mannen en hun brein is daar dan ook op ingesteld. Indien vrouwen op latere leeftijd kunstmatig testosteron toegediend krijgen, bijvoorbeeld door het gebruik van anabole steroïden, ontwikkelen zij mannelijke kenmerken zoals een zwaardere stem en sterkere spieren. Bij langdurig overmatig gebruik kan zelfs een clitoris zich ontwikkelen tot een penis!
De resultaten van de genetische verschillen tussen groepen mensen zijn ook duidelijk zichtbaar. Zo zijn mensen van Afrikaanse afkomst – zwarten – gemiddeld gespierder dan mensen van Europese afkomst – blanken – of vooral Aziatische afkomst. Zo is driekwart van de Amerikaanse professionele basketballers zwart en slechts 0,2% Aziatisch. Dit wijten aan culturele of maatschappelijke factoren is absurd: deze verschillen zijn direct het resultaat van aan afkomst gebonden genetische verschillen. Ook het voetbalteam dat dit jaar wereldkampioen werd bestond vrijwel volledig uit de groep die het meest klaagt over onderdrukking maar desondanks bijna het complete nationale voetbalteam van een van oorsprong blank land vormde. In het American football zijn zwarten ook ruim oververtegenwoordigd. Kijkt men echter naar universiteiten dan ziet men echter weer een totaal ander beeld: zwarten vormen zo’n 6% van het aantal studenten, hoewel ze op grond van hun demografische aanwezigheid een 2,5 maal zo grote vertegenwoordiging zouden moeten hebben. Positieve discriminatie heeft geen enkel effect gehad: genetica en biologie laten zich niet leiden door wetgeving of goede bedoelingen.
Een ander voorbeeld van de grote effecten die relatief kleine verschillen in DNA kunnen hebben is de overeenkomst tussen de mens en zijn nauwste dierlijke verwanten: de chimpansee en de bonobo of dwergchimpansee. Aldus de Wikipedia (over chimpansees):
Opgaven van het percentage identiek DNA lopen uiteen van 94,6% tot 99,4%
Volgens Trouw, en die hebben het weer van Nature, zijn de overeenkomsten in DNA tussen mensen en bonobo’s zelfs 98,7%. Ondanks de zeer grote overeenkomsten spreken we hier van compleet verschillende diersoorten.
Hiernaast kan je ook kijken naar pygmeeën, die gewoon mensen zijn maar wel erg klein zijn. Pygmeeën zijn – volgens de link naar de Wikipedia – zo’n 60.000 jaar geleden afgescheiden van de mensen die wel een groot postuur ontwikkelden. Dat is niet lang op evolutionaire schaal, maar de verschillen zijn bijzonder duidelijk.
De relatief kleine verschillen tussen menselijke rassen kunnen dus wel degelijk tot grote verschillen in ontwikkeling leiden en dat is ook in de dagelijkse praktijk te zien, hetgeen ik illustreerde met voorbeelden uit de Verenigde Staten en Frankrijk. Het is beter deze realiteit onder ogen te zien en er het beste van te maken dan voortdurend te trachten de samenleving geforceerd aan te passen totdat alle groepen precies hetzelfde keurslijf dragen. Dit zal slechts tot resultaat hebben dat groepen tegen elkaar opgezet worden en veel groepen tekort worden gedaan.
– Jan de Scherprechter
* Feitelijk dus 45 strengen en een genetisch bijna lege Y-streng bij mannen