Dodenherdenking: Van verzets- tot jodenherdenking

1
753

Inleiding

Het is een twijfelachtige balans die we moeten opmaken in Nederland. We stellen vast dat elk jaar na de zomervakantie een kleine en irrelevante groep mensen zich keert tegen de Zwarte Pieten-traditie. We accepteren boos doch machteloos dat ze daadwerkelijk iets weten te veranderen. Op eenzelfde wijze ondermijnen andere marginale groepen sinds jaar en dag de Dodenherdenking. Agressieve campagnes en veel media-aandacht dragen verder bij aan een vervormd en onnatuurlijk politiek discours waar het overgrote deel van de Nederlanders absoluut niet op zit te wachten. Dit past zeker niet binnen het plechtige karakter van een herdenking der doden.

Van een waardige, apolitieke plechtigheid waarover in brede lagen van de bevolking consensus bestaat, is allang geen sprake meer. De herdenking is verworden tot een politiek-maatschappelijke speelbal die elk jaar weer tot ridicule discussies leidt, niet in geringe mate door de pretentieuze wijze waarop officieel klinkende lobbygroepen met veel bravoure het discours bepalen.

Dit artikel zal nader ingaan op de curieuze ontstaansgeschiedenis en de grillige ontwikkeling van Dodenherdenking. Rode lijn is dat deze dag in toenemende mate wordt geïnstrumentaliseerd. Herdenken zoals de Nederlandse bevolking dat direct na de oorlog voor ogen had, namelijk alle militairen en eventueel burgers die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen, is compleet naar de achtergrond is verschoven. Het lijkt wel of Dodenherdenking slechts wordt gehouden voor hen die het hardst schreeuwen.

Ontstaan van de Dodenherdenking

Na de oorlog was er in Nederlandse regeringskringen niet direct interesse voor het houden van een aparte dodenherdenking op 4 mei. Er waren versnipperd lokale herdenkingen met ieder een eigen karakter. De politieke discussies, trivialiteiten en mogelijke vijandbeelden die door een centraal aangestuurde herdenking zouden ontstaan waren niet gewenst. Nederlanders moesten nu gezamenlijk werken aan de opbouw van het land.

De Nederlandse regering op haar beurt, had reeds kort na de oorlog een Bevrijdingsdag vastgelegd voor 5 mei en was niet van plan om de aparte dodenherdenkingsdag op 4 mei zomaar te accepteren. Bevrijdingsdag zou zowel het herinneren van de doden in de ochtend, als het vieren van feest in de middag en avond incorporeren. Voor een aparte vrije dag ten behoeve van Dodenherdenking bestond dan ook weinig draagvlak.

Toch zou het anders lopen: De Haagse calvinist en antirevolutionaire verzetsactivist Jan Drop richtte kort na de oorlog de Commissie Nationale Herdenking 1940-1945 ofwel CNH op. Alhoewel deze commissie heel wat leek voor te stellen, bestond deze in de praktijk uitsluitend uit Jan zelf, alsmede zijn levenspartner Gerarda en een vriend, Cornelis Jan Griffioen genaamd.

De enige motivatie die bij kartrekker Jan Drop speelde, zo blijkt uit zijn aantekeningen, was de blijvende herinnering aan zijn vrienden uit het Haagse verzet. Hiermee wilde hij dus de nabestaanden van het verzet een hart onder de riem steken, waaronder diverse van zijn eigen familieleden. Van enige interesse in het herdenken van alle Nederlandse of Europese militaire slachtoffers of burgerslachtoffers aan beide zijden van het conflict was bij hem geen sprake.

Drop meldde zich echter bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en verzond vervolgens via de VNG een circulaire naar alle Nederlandse gemeentes. De ‘nepcirculaire’ had het allure van een officieel document waarmee Dodenherdenking als officiële herdenking zou worden ingevoerd en was ondertekend door de heer Griffioen namens de ‘Commissie Nationale Herdenking’. De burgemeesters van Nederland namen de circulaire vrijwel klakkeloos aan en de Nationale Dodenherdenking was geboren.

Deze zogenaamde circulaire van 16 maart 1946 vermeldde als te herdenken doelgroep “Allen, die voor de vrijheid van ons Vaderland streden en vielen”. Op dat moment was de te herdenken groep door de heer Griffioen alreeds verruimd. Deze omschrijving zou voor mensen van verschillend politiek pluimage een zinvolle betekenis kunnen geven bij het verwerken van de verliezen van de trieste broederstrijd onder de Europese volkeren. Ook de tienduizenden nabestaanden van oostfrontstrijders zouden de herdenking een plaats kunnen geven, door te wijzen op de bestrijding van de communistische dreiging voor de vrijheid voor Europa

Het marginale groepje van drie man is er daarmee in geslaagd met lef, pretenties en geluk een ingrijpende beslissing te forceren en binnen enkele jaren uit te groeien tot een invloedrijke club, met de wortels in het verzet. Deze CNH, die dus al een enorm succes had geboekt, bezat echter nog geheel geen officiële status. Pas in 1948 zou de rechtsvorm ‘stichting’ worden aangenomen. Daarmee ontstond direct de eerste wijziging in de te herdenken doelgroep. Meer wijzigingen zouden er alras volgen, aangezien allerlei hoogwaardigheidsbekleders zich bij de CNH voegden en de stichting snel groeide.

De stichting zou de volgende doelstelling statutair laten vastleggen:

“Bij Nederlanders waar ter wereld ook, de herinnering levendig te houden aan de strijd voor de vrijheid van het Koninkrijk der Nederlanden en op waardige wijze te gedenken en te doen gedenken allen die in die strijd – zowel binnen als buiten de grenzen van het Koninkrijk- zijn gevallen.”

In tegenstelling tot de variant van de circulaire worden hier de ‘Nederlanders’ maar ook ‘allen, die in de strijd in binnen- en buitenland zijn gevallen’ als te herdenken groep gedacht. In plaats van ‘Het Vaderland’ werd overigens ‘Het Koninkrijk’ vermeld, en naast de Nederlanders konden ook alle andere slachtoffers, ongeacht of ze in binnen- of buitenland gevallen zijn, worden herdacht. Een duidelijke en brede begripsbepaling van wie er te herdenken zijn.

Dodenherdenking: Wie zijn de ‘doden’?

Wie dacht dat daarmee kort na de oorlog de discussie was beslecht wie er herdacht moesten worden, heeft het grondig mis. De regeringsrichtlijn ofwel memorandum laat een interessante ontwikkeling zien. Hieronder volgt een niet-uitputtende opsomming met toelichting:

1947: “Herdacht zullen worden zowel de Nederlandsche militairen, zeelieden en verzetsstrijders als de geallieerde militairen, die voor de bevrijding van ons Vaderland gevallen zijn.”

1961: “De nationale Herdenking van allen -burger dan wel militair- die sinds 10 mei 1940 waar of wanneer ook ter wereld in het belang van het Koninkrijk zijn gevallen, zal dit jaar worden gehouden op vrijdag 4 mei.”

Redenen voor deze aanpassingen waren de oorlogen in Indonesië en Korea, waar ook diverse Nederlandse militairen aan hadden deelgenomen. De herdenking wordt dus breder getrokken. Dit breder trekken zou een precedent scheppen voor de toekomst.

Tevens is het vermeldenswaardig, dat 16 jaar na de oorlog nog geen enkele sprake is van het herdenken van joden, laat staan dat gerept wordt van een ‘holocaust’. Dit hangt samen met het feit dat destijds nog op een nuchtere en objectieve wijze naar de historische situatie werd gekeken.

Joden werden gezien als elementen binnen de bevolking van de verschillende naties, die net als andere bevolkingsgroepen en volkeren veel te verduren hebben gehad tijdens de oorlog. Dat wil echter niet zeggen, dat ze op een voetstuk hoeven te worden geplaatst en/of het monopolie voor medelijden mogen opeisen. Noch betekent dit dat ze munt dienen te slaan uit hun ervaringen in de vorm van een ‘holocaustindustrie’. Een dergelijke positie zouden ze zich echter binnen enkele jaren toe-eigenen.

1966: “De Nationale Herdenking van allen -burger dan wel militair, die sinds 10 mei 1940 waar of wanneer ook ter wereld in het belang van het Koninkrijk zijn gevallen, alsmede van allen, die door oorlogshandelingen en terreur zijn omgekomen, zal dit jaar worden gehouden op woensdag 4 mei.”

Deze aanpassing voorziet natuurlijk een onderbelichte categorie, de burgerslachtoffers. Hierbij is in de definitie geen beperking gesteld ten aanzien van natie op tijdsperiode.

Zo kunnen hieronder de duizenden slachtoffers worden geteld onder de naar schatting 2 miljoen Duitse gevangengenomen soldaten die na de oorlog zijn omgekomen door honger en uitdroging op de Rheinwiesenlager alsmede de honderduizenden Duitse burgers, voornamelijk moeders en kinderen, die het slachtoffer waren van de nodeloze geallieerde bombardementen op de weerloze Duitse steden. Deze groepen slachtoffers, die het waarlijk verdienen herdacht te worden, worden echter niet vertegenwoordigd door invloedrijke belangengroepen en agressieve actieclubs.

Joodse groepen daarentegen hebben zich sinds medio jaren zestig opvallend gemanifesteerd bij het toekennen van disproportioneel veel aandacht voor hun leed. Op marketingtechnisch ingenieuze wijze werd het leed tot een vastomlijnde definitie genaamd ‘holocaust’ omgetoverd met het heilig getal van 6.000.000. In werkelijkheid zag dit leed op duizenden joden in met name Polen en omringende landen, omgekomen door verdrijving of moord door de wraaklustige lokale bevolking. Daarnaast stierven velen door ondervoeding of ziektes in de vele werkkampen voor Europese joden. Deze slechte omstandigheden waren grotendeels te wijten aan geallieerde bombardementen of partizanenacties tegen de Duitse spoorlijnen in de nadagen van de oorlog. Een en ander werd in de jaren zestig gepromoot als holocaust en de hieraan verbonden doctrine, waarover enige vorm van discussie verboden en zelfs strafbaar zou worden. Dit zou in met name Duitsland staatsraison worden.

De mate waarop dit lijden in de schijnwerpers staat doet geen recht aan het lijden van de autochtone burgerbevolking in de diverse Europese landen. Geallieerde bombardementen in Europa en het Verre Oosten hebben vele honderdduizenden burgers het leven gekost. Ook het verraad door de geallieerden van diverse Oost-Europese strijdgroepen en landsdelen die werden overgeleverd aan het Rode Leger mag beslist niet onvermeld blijven. Miljoenen burgers en soldaten belandden hierdoor in de goelags . De gruwelen van de rode terreur die voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog huishield in het Oosten van Europa plaatst het leed der joden in Oost-Europa gedurende de zogenaamde holocaust in een heel ander daglicht.

2000: “Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen -burgers en militairen- die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.

De veralgemenisering van de doelgroep te herdenken personen bereikt op 2000 een nieuw hoogtepunt. De omschrijving biedt de vrijheid om de herdenking op wat voor manier dan ook in te vullen. Van enig focus op de Nederlandse of Europese strijders die vielen in deze blanke broederstrijd is geen sprake meer. Het projecteren van de oorlogservaringen op de huidige politieke ontwikkelingen werd steeds gebruikelijker. Kwalijke politieke trends als massamigratie en het promoten van progressieve en multiculturele waarden werden goedgepraat door te wijzen op het vermeende racisme dat oorzaak zou zijn van de Tweede Wereldoorlog. Een absurde en onjuiste vergelijking maar niettemin effectief voor scholieren en andere lagen van de bevolking.

2011: “Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen -burgers en militairen- die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.

Aangezien de omschrijving van 2000 voor de joodse lobbygroepen te algemeen werd bevonden en ‘het ondraaglijk leed van de holocaust niet voldoende verwoordde’, is de onnodige en dramatiserende passage ‘of vermoord’ toegevoegd waarmee andermaal duidelijk werd hoe invloedrijk de betreffende lobbygroepen waren.

2015: “Tijdens de Nationale Herdenking herdenken wij de Nederlandse oorlogsslachtoffers. Allen -burgers en militairen- die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en daarna in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.

Na de terechte kritiek op eerdere varianten wordt sinds 2015 het Nederlandse karakter van de Dodenherdenking opnieuw benadrukt met de nieuwe richtlijn dat we de Nederlandse oorlogsslachtoffers herdenken. Er ontstond een felle discussie over het al dan niet herdenken van migranten die tijdens hun tochten over land en over zee komen te overlijden. Naarmate de oorlog verder in het verleden ligt, dragen in deze tijden van identiteitspolitiek steeds meer groepen hun eigen categorie slachtoffers aan om herdacht te worden.

2020: De trend van het koppelen van allerlei actuele gebeurtenissen, die niet eens met een oorlog te maken hebben, aan de Nationale Dodenherdenking neemt anno 2020 absurdere vormen aan dan ooit. Minister Ferd Grapperhuis stelt: Naleven coronamaatregelen overwinning op de nazi-ideologie en vult aan met ‘de democratische samenleving heeft hier zelf voor gekozen uit medemenselijkheid, solidariteit en compassie met kwetsbare mensen, en met alle ruimte voor verschillen van mening’. Het gevoel bekruipt dat het acrobatisch omgaan met woorden tot hoogste kunst verworden is. De bevolking die in de loop van decennia gehypersensibiliseerd is, begrijpt het niet maar gelooft in de boodschap omdat er telkens dezelfde slogans en begrippen worden gebruikt. Het maakt daarbij niet zoveel uit in welke volgorde men deze woorden plaatst of dat de zinnen enige betekenis hebben.

Het was te verwachten dat er politici zouden zijn die op een of andere wijze de coronacrisis aan de Nationale Dodenherdenking zouden willen koppelen, hoe onwaarschijnlijk dwaas dit ook moge klinken. Een dergelijke clowneske en vergezochte vergelijking is niet alleen te kwalificeren als baarlijke nonsens, maar is ook een klap in het gezicht van de nabestaanden van de Nederlanders die gesneuveld zijn als militair of door bombardementen. Verdere uitholling en ridiculisering van de herdenking is een feit.

Dodenherdenking 1994 en 2012: Joodse vertegenwoordigers bepalen de discussie

Hoe groot de impact is van joodse clubs en de holocaustdoctrine bleek in 1994. Na enkele initiatieven hierover onder de Nederlandse bevolking werd voorgesteld om Dodenherdenking samen met de Duitsers te houden. Duitsland, dat van alle West-Europese landen het meest geleden heeft door geallieerde en rode terreur tijdens en na de oorlog zou hiermee een volwaardige ge- en herdenkpartner worden.

Het was de hoogste tijd dat dit zou gebeuren, zo was de mening onder brede lagen van de bevolking. Wim Kok en Prins Bernhard behoorden tot de voorstanders. Kanselier Helmut Kohl werd ingelicht en alvast voorbereid op de mogelijke pogingen tot toenadering en gezamenlijk herdenken. Echter: op het laatste moment werden deze pogingen tot toenadering gedwarsboomd door joodse groeperingen die een storm van protest op gang brachten via de hun gebruikelijke kanalen.

De joodse inmenging in wat wel en niet herdacht mag worden bereikt een nieuw hoogtepunt in 2012. In dat jaar worden de burgemeester van Vorden en een 15-jarige jongen meedogenloos op de korrel genomen.

De kleine, inmiddels niet meer bestaande Gelderse plattelandsgemeente Vorden (tegenwoordig Bronckhorst) kiest er in 2012 voor, bij de Dodenherdenking niet alleen langs de graven van Nederlandse militairen te lopen, maar ook langs enkele graven van gewone Duitse Wehrmachtsoldaten. Dergelijke lokale varianten in de herdenking zoals die ook kort na 1945 gebruikelijk waren, zouden de normaalste zaak van de wereld moeten zijn, ware het niet dat een kleine club van fanatieke en extremistische joden de gemeente en met name haar burgemeester welhaast de oorlog verklaarde. De Vordense bevolking, die sympathiek staat tegenover de herdenking van Duitse soldaten, werd niks gevraagd en was ontstemd over de joodse inmenging.

Burgemeester Henk Aalderink werd in 2012 voor de rechter gesleept door ‘federatief joods nederland’ (FJN) en hem werd zelfs in kort geding verboden langs de Duitse graven te lopen. De burgemeester liet hierop weten woedend te zijn, en het gevoel te hebben dat hem iets is ontnomen. Letterlijk: “Een rechter kan niet beslissen dat ik als burgemeester geen burgervader mag zijn”. Bezoekers mochten overigens wel langs de Duitse graven lopen. Niet ontdaan van enig gevoel van drama en branie stelde FJN dat het herdenken van Duitse soldaten grievend is voor de levenden, beledigend voor de doden, en dat de uitspraak fantastisch is voor iedereen die de laatste tijd veel pijn heeft gehad.

De wijze waarop een dergelijke futiliteit werd opgeblazen door lobbygroepen en media spreekt boekdelen. De joodse groepering Tradition is Our Future (TOF) deed er nog een cynisch schepje bovenop door een vliegtuig met sleeptekst boven Vorden te laten vliegen met de tekst: “Vorden is fout”. Wederom was de bevolking van Vorden verbolgen over zoveel agressie en ongepaste terechtwijzingen. Een typisch voorbeeld van het op hypocriete wijze agressief terechtwijzen.

Daarnaast is 2012 het jaar dat de 15-jarige Helmondse leerling Auke de Leeuw de jaarlijkse nationale gedichtwedstrijd had gewonnen, waardoor hij het mocht voorlezen tijdens Dodenherdeninking. Het gedicht, te vinden op YouTube, gaat over zijn oudoom die voor de ‘foute’ kant had gekozen en was gestorven aan het Oostfront. CIDI en het Nederlands Auschwitz Comité deden hun best elkaar te overtreffen in verontwaardiging en terechtwijzingen. Strijders die gevallen waren aan het Oostfront mochten natuurlijk op geen enkele wijze herdacht worden, aldus deze belangengroepen.

Alhoewel het Nationaal Comité 4 en 5 mei probeerde om hun standpunt uit te leggen aan de joodse lobbyclubs werd hen een boycot in het vooruitzicht gesteld. Voor normale uitwisseling van argumenten is op dat moment voor deze groepen kennelijk geen plaats.

De auteur van het gedicht drong erop aan om te mogen voorlezen maar het gedicht werd op het laatste moment alsnog afgewezen door het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Het Auschwitz Comité beschreef het gedicht op haar gebruikelijke, de polemiek zoekende wijze als: “in strijd met iedere vorm van zindelijk denken en fatsoen”. De felle wijze waarop de jonge auteur zelf persoonlijk werd aangevallen, is hierbij typerend en zou iedere Nederlander moeten verontrusten.

Conclusie

De wijze van totstandkoming van Dodenherdenking voorspelde al niet veel goeds voor de continuïteit en het draagvlak voor de viering. Een herdenking voor alle Nederlandse of Europese militairen en eventueel voor alle gevallen burgerslachtoffers zou een goed uitgangspunt zijn geweest. Parallel had echter een proces van verzoening en historisch besef op gang moeten komen, waardoor het op een rationele wijze verwerken van de geschiedenis mogelijk zou worden.

Deze rationele verwerking en verzoening onder broedervolkeren is helaas gedwarsboomd door groepen die juist profiteren van continuering van de goed-kwaadpolemiek en de hieraan gekoppelde holocaustdoctrine. Een doctrine die Duitsland tot de dag van vandaag in een ideologische wurggreep houdt.

Het voortdurend toevoegen en weer verwijderen van categorieën slachtoffers die soms wel, dan weer niet onder de definitie van het reglement vallen, leidt tot verwarring, irritatie en apathie. Net als de discussie rond Zwarte Piet bederft deze jaarlijkse twiststrijd de voorpret en de eenheid van het volk. Het projecteren van allerlei andere moderne conflicten of maatschappelijke discussies op de dodenherdenking leidt tot verdere uitholling.

Laten we, beter laat dan nooit, een proces op gang brengen van herijking van de waarheden rondom de aanloop, het ontstaan en verloop van de Tweede Wereldoorlog, waardoor we beter in staat zijn om te kunnen beslissen wie we willen herdenken. Herdenken op basis van historische feiten in plaats van gefabriceerde mythen, waarbij we ons beperken tot alle burgers en soldaten in binnen- en buitenland die bij deze onnodige en onzinnige Europese broederstrijd zijn gevallen.

1 COMMENT

Comments are closed.