De Germaanse wortels van de kerstboom

1
101

Christmas Tree in Village

Onze huidige kerstboom is een vrij modern verschijnsel, maar zijn wortels reiken tot in ons verre verleden. De boom was het zinnebeeld van de heilige ordening in de kosmos. Maar waarom versieren en verlichten we hem tijdens de zogenaamde Joeltijd?

In december zetten wij Europeanen traditiegetrouw een versierde, altijdgroene boom in huis, meestal een spar. Wat wij onze ‘kerstboom’ noemen verschijnt in ons land pas zo’n honderd jaar geleden vanuit Duitsland. Maar er zijn veel oudere versies. Getuigenissen over ‘lichtbomen’ gaan terug tot de vroege middeleeuwen. De kerstboom, beter de midwinter- of Joelboom genoemd, heeft niets met het Christendom te maken. De kerk heeft eenvoudigweg het christelijke Kerstmis bovenop het heidense feest van de winterzonnewende geplaatst, om dit oudere feest te kunnen kerstenen. De Joelboom is dan ook een heidens zinnebeeld, of liever gezegd: een hele kluwen van heidense zinnebeelden.

De boom als cultusplaats

De oudste afbeeldingen van heilige bomen binnen het Germaanse cultuurgebied stammen uit 3.000 – 800 v.o.j. in Zweden. Ze lijken zeer sterk op sparren en taxussen. Naast de ‘heilige’ bomen staan goden, heilige schepen, zonnesymbolen, rituele dansers en zelfs hoornblazers. Dit brengt de rotstekeningen met winterzonnewende in verband, want ook nu nog blaast men op de winterzonnewende op hoorns om de zon te begroeten. Bijvoorbeeld in Denemarken begroet men het nieuwe jaar in Kopenhagen door op luren te blazen. En in Nederland blaast men te Twente op midwinterhoorns in de advent.

We leren meer over deze boomcultus door de vele verbodsbepalingen van de Christenen tegen heidense gebruiken. Al in 452 werd het door de kerk verboden om vuren te branden nabij of onder heilige bomen. Caesarius van Arles (470-542) verbood het bidden bij bomen en riep zijn parochianen op om heilige bomen om te hakken. Het concilie van Agde in 506 schrijft voor dat men moest onderzoeken of er geloften afgelegd werden aan bomen, bronnen en rotsen, “als ware het een altaar”, en of men er wijgeschenken brengt en er kaarsen brandt “alsof er daar een zekere goddelijke macht (‘numen’) zou zijn”. De prediker Bonifatius hakte, met steun van de Frankische heersers, in 723 een enorme heilige eik om en werd verjaagd door een woedende menigte. Later werd op die plek de dom van Fritzlar gebouwd. Zo eigende de kerk zich overal de heilige plaatsen van de heidenen toe.

De boom als spil van de kosmos

Rudolf van Fulda schrijft rond 850 over de heidense Saksen: “Aan loofdragende bomen en bronnen bewijzen zij goddelijke eer. Ja een houten stam van niet geringe grootte, hadden zij opgericht en vereerden zij onder de blote hemel. In hun taal noemden zij die stam ‘Irminsul’, wat in het Latijn betekent ‘universalis columna’, die als het ware het heelal draagt.” In het geval van de Irminsul gaat het niet om een echte- maar om een gestileerde boom. Irminsul betekent zoiets als ‘enorme zuil’. De Irminsul was de enorme kosmische boom, de spil waar de kosmos om draaide.

De Germanen hadden namelijk waargenomen dat alle sterren vanaf de aarde rond één as lijken te draaien. Zij trokken een denkbeeldige lijn vanaf de aarde naar de zogenaamde Poolster. Dit zagen zij als de centrale as, en noemden deze Irminsul. De Melkweg noemden zij Irminweg.

Dit wereldbeeld van een kosmische ordening met als centrale as een naar het noorden reikende heelalzuil, is zeer waarschijnlijk in het hoge noorden ontstaan. Alleen daar is namelijk het beeld van een zuil waaromheen een rad vol sterren draait volmaakt. In het hoge noorden zijn namelijk alle sterren circumpolair, dat wil zeggen dat ze nooit opkomen of ondergaan en het hele jaar door zichtbaar zijn. Op onze breedtegraad is dat anders. Slechts een paar sterren zijn altijd zichtbaar, bijvoorbeeld de Grote Beer en de Kleine Beer. Maar op de Noordpool is elke ster circumpolair en staat de Poolster perfect in de zenit.

Rond deze spil of zuil draait ook de zon. Op midzomer bereikt de zon haar hoogste stand en haar meest noordelijke standplaats aan de hemel. Uiteraard staat de zon niet echt in het noorden maar hoog in het zuiden op de middag van midzomer. Maar dan staat ze wel het dichtste bij de noordelijke hemelpool. Ze reikt op midzomer dus naar de top van de zuil. Op midwinter daarentegen staat ze op haar laagste stand in het diepe zuiden. Symbolisch gezien bevindt de zon zich dan onderaan de Irminsul. Dicht bij de wortels. In de Germaanse kosmologie bevindt de godenwereld zich in het hoge noorden aan de top van de zuil en de overleden voorouders bevinden zich in de onderwereld, onderaan de zuil.

Anders dan de Saksen zagen de meeste Germanen deze spil en verbinding met de andere werelden niet als een zuil, maar als een enorme, altijdgroene boom. De noordelijke Germanen gaven aan deze boom de naam ‘Yggdrasil’. De godenwereld bevindt zich dan in de kruin van de boom en de wereld der voorouders onder de wortels. Meestal omschrijft men de Yggdrasil als een enorme es, maar de es is geen altijdgroene boom. Het is waarschijnlijk dat het eigenlijk om een taxus gaat. In het Oudnoors noemde men een taxus namelijk een naald-es (barraskr) en dit zou het latere misverstand verklaren. De taxus geeft op hete dagen een gasvormig toxine af dat hallucinaties kan veroorzaken. Dit past goed bij de rol die de heelalboom zou spelen bij sjamanistische Germaanse gebruiken.

In deze gebruiken werd de boom, als de spil van het heelal, gezien als de verbindingsweg waarlangs de mens in de geest de werelden van de goden en van de voorouders kon bereiken. Dat is de reden dat de Germanen hun goden en hun voorouders vereerden bij heilige bomen.

De boom als verbindingsweg met andere werelden

Een typisch voorbeeld van een reis naar de andere wereld zien we in het verhaal van Wodans inwijding. Tijdens zijn inwijding hing Wodan negen dagen en nachten aan de Yggdrasil. Iedere dag doorschreed hij één van de negen werelden van de Germaanse mythologie. Hij beklom als het ware de heelalboom om de ‘wereld der goden’ te bereiken. Dit is een bekend oud sjamanistisch gebruik. Soms hield een sjamaan daarbij een ‘stokpaardje’ tussen de benen en beklom zo de boom. Dit ‘paard’ was het zinnebeeld van de geleidegeest van de sjamaan, die hem hielp op zijn reis. ‘Yggdrasil’ betekent waarschijnlijk  ‘paard van de verschrikkelijke’. ‘Drasil’ betekent zoiets als drager, paardenkracht, en Ygg ‘de verschrikkelijke’, één van de vele namen van Wodan. Een (omgekeerde) bezem werd vaak gebruikt als symbool voor de heelalboom. De sjamaan stak zo’n bezem tussen zijn benen, en beklom in trance de boom. Dit doet natuurlijk gelijk denken aan de bezems in verhalen over heksen.

De boom als beeld van de ontplooiing van het heelal vanuit een centraal punt

Zoals Yggdrasil zich ontplooit vanuit een klein zaadje, zo ontplooit ook het heelal zich vanuit een centraal punt. De boom ontplooit zich in alle richtingen, want ook zijn wortelstelsel wortelt dieper en breder de grond in. De heelalboom was ook op aarde het ‘heilige middelpunt’. Oeroude bomen vormden bijvoorbeeld vaak het middelpunt van het grondgebied van een stam.

Soms werd een huis of zaal rond een heilige boom gebouwd. In de Edda verhaalt men over zo’n boom, die de ‘geboorteboom’ werd genoemd. Hij stond in het midden van een grote feestzaal. In deze boom plantte Wodan een zwaard, dat alleen een ware held er weer uit zou kunnen trekken. We kunnen dit interpreteren als dat een held kan door zijn daden onsterfelijk kan worden: hij voegt zich bij de goden, bijvoorbeeld als ‘einherjar’. Hij wentelt dan niet meer mee op het rad van de veranderlijke wereld, maar neemt plaats op de spil van het rad. Hij laat zich niet meer meeslepen en onttrekt zijn geest aan de materie en de wording. Dit beeld doet denken aan de Boeddhistische monnik, die zich bevrijdt van het rad van wedergeboorte.

De stamboom

Bij onze Germaanse voorouders was de boom ook symbool voor de gehele familie. Jan de Vries schrijft: “Men kan de Germaanse familie met een boom vergelijken, die zijn takken wijd en zijd over de aarde uitbreidt en met zijn wortels stevig in de vruchtbare bodem gevestigd staat. Want de familie leeft zowel boven de aarde als eronder. De fraaie, ver in het rond zichtbare kroon, dat zijn de levenden, die in het zonnelicht hun werkzaamheid ontplooien. Maar gelijk een boom zijn sappen haalt uit de donkere bodem, zo wordt ook de familie gevoed door krachten, die haar uit de onderwereld toevloeien. De familie is de eenheid die doden en levenden omvat, allen zonder onderscheid zijn dragers van de geluk en voorspoed bewerkende krachten de familie. De levenden bevestigden hun band met de afgestorvenen door hen te gedenken met offergaven en hen te beschermen door een nooit aflatende verdediging van de familie eer. De doden op hun beurt, in het bezit van een grotere wijsheid dan aan stervelingen beschoren is, steunen hun bloedverwanten hier op aarde door hun heilzame raad en waarschuwende voorspellingen, die in droom en voorgevoel worden geopenbaard.”

Wij staan op de schouders van onze voorouders. Hun bloed stroomt in onze aderen. Zij zijn onze wortels, zij leven in ons verder. En onze kinderen en kleinkinderen zullen verder ontwikkelen als loten en takken, ook wanneer wijzelf al wortels zijn geworden. Ook nu nog planten mensen vaak een boom ter ere van de geboorte van een kind. Hiermee benadrukken we de band van het kind met het heelal en met de familie.

christmas-tree-with-fireplace

Het haardvuur als de spil van het heelal

Bij het Finse volk de Samen werd de centrale tentpaal van hun tenten ook gezien als de spil van het heelal. Deze tentpaal stond naast het haarvuur stond en stak door het rookgat naar buiten. De rook die opstijgt door het rookgat werd een symbool van de spil van het heelal en de verbinding met de andere werelden. Vandaar dat een zinnebeeld van de heelalboom boven het rookgat geplaatst werd.

Waarschijnlijk kenden de Germanen dit zinnebeeld ook, en behielden deze voorstelling toen ze in huizen gingen wonen. De schouw werd de nieuwe verbindingsweg met de andere wereld, de centrale en heilige plek in het huis. Sinterklaas, de Kerstman en Sint Maarten komen dan ook nog steeds via de schouw de woning binnen.

De boom en het heilige vuur

De haard was ook heilig omdat het vuur voor de Germanen heilig was. Zij beschouwden het als een zinnebeeld van het leven en de zon, en zagen het als zuiverend, levenbrengend en beschermend. Bovendien offerden zij in het vuur aan de goden en de voorouders.

Dit vuur stond ook in nauw verband met de heelalboom via de wijze van vuurmaken. Ritueel vuur werd ontstoken door een hard (mannelijk) en zacht (vrouwelijk) stuk hout tegen elkaar te wrijven met een vuurboor tot ze ontvlamden. Vuur ontstaat uit hout, en dus uit de boom. Zeer waarschijnlijk heeft de mens zelfs het vuur leren kennen en beheersen na blikseminslagen in bomen.

Door het branden van een vuur in de nabijheid van een heilige boom, eerden de Germanen hun voorouders en goden. En door de beschermende en zuiverende werking van dit vuur beschermden ze de kosmische ordening, die immer bedreigd werd door de krachten van de chaos.

Het ligt dan ook voor de hand dat onze voorouders hun heilige bomen juist tijdens de joeltijd verlichtten met fakkels en vuren. Joel of midwinter was een duistere, koude tijd, waarin de kosmische ordening het sterkst werd bedreigd. Het was een tijd tussen de tijd, waarin de grenzen tussen de werelden vervaagden en allerlei wezens uit andere werelden rondzwierven. Het was een kritieke tijd, maar als deze werd doorstaan, dan zou een nieuw begin ontstaan en hernieuwde zich de levenskracht. Het duister werd dan vruchtbaar. Door in het duister de heilige bomen te verlichten bevestigden de Germanen de band met de kosmische orde, de goden en de voorouders.

Het versieren van de boom

De versieringen in onze kerstboom gaan terug op het Germaanse gebruik om offers aan de Goden op te hangen aan een boom. Via de boom kon  men immers de de voorouders of goden bereiken. Het konden dierenoffers zijn maar ook mensenoffers, zoals krijgsgevangenen of misdadigers. Het konden ook, en dit sluit wat meer aan bij onze huidige mentaliteit, vruchten of figuurtjes uit gevlochten graanhalmen zijn. De ster in de top van de kerstboom vertegenwoordigt de Poolster, de top van de spil van het heelal.

Conclusie

Het ging de Germanen bij hun boomcultus niet om de verering van een boom op zich. Hij werd door hen vereerd omdat hij een ‘hiërofanie’ was, een openbaring van het heilige: een zinnebeeld van de band tussen mensen, goden en voorouders. Als we tijdens de joeltijd een altijdgroene boom in huis zetten, en verlichten en versieren, dan  eren we hiermee de hele kosmische ordening.

*   *   *

Deze tekst is een bewerkte versie van een artikel van E.H. We danken hem voor de toestemming zijn materiaal te gebruiken. Alle afbeeldingen zijn afkomstig van wikimedia.org

1 COMMENT

Comments are closed.