Boekbeschrijving van T. Lothrop Stoddard: The Revolt against Civilization, the Menace of the Underman

De revolutionaire onrust die vandaag het geheel treft van de wereld gaat veel dieper dan algemeen wordt verondersteld. De oorzaak is geen Russische bolsjewistische propaganda, niet de recente oorlog, niet de Franse revolutie, maar een proces van raciale verarming, waardoor het grote beschavingen uit het verleden heeft vernietigd. Een lot dat eveneens dreigt voor onze beschaving. Deze plaag van de beschaafde samenleving is correct gediagnosticeerd in de afgelopen jaren. De gedenkwaardige biologische ontdekkingen van de vorige generatie hebben de echte werking van die tot nu toe mysterieuze wetten van het leven onthuld waarvan alle menselijke activiteit afhangt. In het licht van deze biologische ontdekkingen, die zijn bevestigd en versterkt door onderzoek op andere wetenschapsgebieden, vooral psychologie, moeten alle politieke en sociale problemen opnieuw worden onderzocht. Zo’n heronderzoek van een van deze problemen – het probleem van sociale revolutie – is ondernomen in het huidige boek.” – Theodore Lothrop Stoddard, 30 maart 1922

Beschaving is volgens Stoddard het opbloeien van de mensheid. Het is nog niet zo lang dat we natuurstaat van ons wezen achter ons hebben gelaten. Onder dit dunne laagje vernis wacht de barbaar, de wildeman, het beest geduldig op een kans om zich te uiten. Het is slechts 8 á 10 duizend jaar geleden dat de mens zich op doordachte, doch toen nog kleinschalige wijze organiseerde in gemeenschappen middels politieke, sociale en juridische organisatie. Gelijktijdig ontstond de mogelijkheid voor de mens om zich kennis en kunde toe te eigenen over cultuur, kunst en wetenschap. Dit laatste is het bewijs voor de bloeikracht van een bepaalde cultuur. De mars richting beschaving is geen kwestie geweest van een gestage progressie: culturen zijn in verschillende fasen van hun bloei tot grote hoogte gestegen, juist blijven steken op een bepaald niveau en uiteindelijk weggevaagd of afgebrokkeld of nooit echt tot wasdom gekomen. Sommige stammen gingen voorwaarts, andere hoopvolle soortgelijke groepen mensen kennen we niet eens van de geschiedenisboeken. In vele gevallen zijn zelfs de hoogste beschavingen zeer geleidelijk ontstaan door een veelvoud van factoren. Stoddard stelt hier de enige vraag die er toe doet: waarom?

Waarom wil niet iedereen bescherming tegen de de blinde en harde wetten van de natuur, waarom wil niet iedereen zich ontdoen van de strijd tegen wilde beesten, waarom wil niet iedereen geschillen tussen volkeren oplossen met constructieve dialoog, waarom wil niet iedereen de mogelijkheden verkennen tot comfort, gemak en het ontwikkelen van hogere mentale capaciteiten?

Stoddard vraagt zich het volgende af: waarom vervallen sommige beschavingen in beestachtigheid? Waarom blijven sommige beschavingen gedurende lange tijd schitteren en waarom komt er aan sommige beschavingen acuut een einde? Het eenvoudige antwoord is dat lang niet ieder volk de druk van het oprichten en onderhouden van een beschaving aan kan. Beschaving is namelijk zowel een zegen als een verantwoordelijkheid, een last zelfs, in bepaalde opzichten. Dit is niet verwonderlijk, in een universum die als ijzeren wet heeft dat niets kan ontstaan uit niets. Beschaving is geen oorzaak maar een effect van volhardende menselijke energie. Deze energie komt op zijn beurt weer voort uit wat de Duitsers Keimplasma (van August Weismann) noemen: erfelijke informatie die gedragen wordt door geslachtscellen. Beschaving is het product van en wordt geconditioneerd door ras, zo maakt Stoddard duidelijk.

Stoddard vervolgt door te stellen dat beschaving enkel zo ver vordert als de capaciteit van het volk binnen die beschaving om die beschaving te bevorderen en het vermogen om de verantwoordelijkheid en last van een beschaving te dragen. Op een gegeven moment wordt een cruciaal moment bereikt waarop een beschaving stagneert of afneemt in vitaliteit. Stoddard schrijft dat deze draagkracht sterk verschilt tussen rassen.

Stoddard verduidelijkt dat niet bekend is waar de verschillende rassen van de mensheid vandaan komen. Wel is duidelijk dat er verschillen zijn qua fysieke kenmerken en mentale capaciteiten. Ik citeer Stoddard letterlijk, weliswaar vertaald, omdat dit de kracht van zijn voorspelling onderstreept:

Veel ernstiger is het probleem dat uitgedragen wordt door rassen en volkeren met een grote numerieke aanwezigheid. Velen van hen zijn de letterlijke beestachtigheid ontstegen, maar veelal zijn ze blijven steken op het niveau vóór werkelijke beschaving. Deze rassen en volkeren hebben nooit zelf een beschaving gevestigd, maar ze blijken ook niet in staat om beschaving van andere rassen en volkeren tot zich te nemen. Ze camoufleren zich soms in een dun laagje vernis van beschaving, maar de terugval naar congenitale barbaarsheid vindt altijd plaats. Ze zijn een bedreiging voor progressie. De rassen en volkeren over wie ik het heb zijn de vele variaties van Aziaten, de Amerikaanse Indianen en de Afrikaanse negers. Talrijke veelbelovende beschavingen zijn geruïneerd door deze barbaren, die vervolgens niet het vermogen hadden om te herbouwen wat ze hebben vernietigd. Heden ten dage heeft onze wetenschappelijke vooruitgang ons wellicht gered van het gevaar van militaire verovering en vernietiging door de barbaarse hordes. Niettemin bedreigen deze rassen en volkeren ons met de meer subtiele dreiging van vreedzame infiltratie. Ze zijn meestal talrijk in aantallen, gezegend met indrukwekkende fysieke kracht, goed in staat om lange afstanden af te leggen, zeker dankzij moderne transportmogelijkheden. De achtergebleven rassen en volkeren van de wereld zoeken in toenemende mate de centra van beschaving, gedreven door hogere salarissen en meer gemakkelijke leefomstandigheden. De instroom van zulke lagere elementen in beschaafde samenlevingen is een absolute ramp. Het verstoort de leefstandaard, steriliseert de autochtone populatie in sociaal opzicht en wanneer er vermenging plaatsvindt, wordt het raciale fundament van de beschaving ondermijnd. De vermengde populatie blijkt uiteindelijk niet in staat de gewenste draagkracht te tonen om de beschaving in stand te houden en verzinkt tot een lager niveau.”

Beschaving begon eerst heel geïsoleerd, als kleine lichtpuntjes in een duisternis van barbaarsheid. In toenemende mate vond er interactie plaats. Voorbeelden zijn te vinden in China, India, het oude Egypte, de Sumer beschaving. In Europa werd een kanteling richting beschaving ondernomen door de Grieken en de Romeinen, invloeden die we heden ten dage nog merken in onze moderne westerse samenlevingen. In deze westerse samenlevingen leven we meer dan welk punt ook in een omgeving die we door onze eigen gedachten en onze eigen arbeid hebben gevormd: het is een zelfgemaakte wereld. Stoddard maakt hier de denkfout dat het moderne westen slechts een voortgang was van een serie van Europese beschavingen. Ondergetekende meent dat moderniteit en z’n Verlichting middels de rationaliteit met bijna alles wat aan haar vooraf ging brak. Het moderne westen is niet de eerste beschaving, ook al doen we graag alsof bijna alles voor de moderne tijd achterlijk was, daar zijn Stoddard en ondergetekende het over eens.

Stoddard legt uit dat er maar weinig beschavingen zijn die op hun hoogtepunt door een vijandige militaire invasiemacht ten gronde zijn gericht. De oorzaak van het verdwijnen van een beschaving, of op z’n minst de significante name in invloed en kracht ligt in bijna alle gevallen in verval, ineenstorting, verstoring of defecten van binnenuit. We lezen hier Cicero: “Een natie kan zijn dwazen overleven, zelfs de ambitieuze. Maar het kan verraad van binnenuit niet overleven.”

Stoddard weerspreekt Spengler wanneer hij ingaat tegen de theorie van laatstgenoemde die door Stoddard genoemd wordt als ‘de wet van beschaving en verval’: een beschaving heeft een cyclus van jeugd, volwassenheid, veroudering en dood. Deze theorie verklaart volgens Stoddard niet waarom sommige beschavingen duizenden jaren konden bestaan, anderen enkele honderden jaren en sommigen niet meer dan een paar generaties. Oorzaken van verval werden gezocht in overdadige luxe, zonde, verstedelijking, secularisering en andere deelelementen. Een alomvattende, fundamentele en bovenal sluitende theorie of model ontbrak.

De toename van kennis over biologie werpt licht op het vraagstuk, aldus Stoddard. Het antwoord is dat beschaving afhankelijk is van de de kwaliteiten van het ras of volk die haar (uit)draagt. De opeenhoping van ideeën en instrumenten voegt zich samen in wonderbaarlijke, harmonieuze structuren en is afhankelijk van een levend fundament: de kwaliteit van mannen en vrouwen die een beschaving creëren en in stand houden. Dit heet ook wel genetisch kapitaal. Kwantiteit is volgens Stoddard veel minder van belang. Slechts enkele rassen en volkeren bleken in staat om duurzame beschavingen op te bouwen en dit waren niet altijd de meest talrijke.

Superioriteit binnen een ras valt volgens Stoddard ook weer te onderverdelen in verschillende niveaus per subgroep en vervolgens weer per volk. Ook op individueel niveau zijn er hoogstaande en verachterlijke mensen binnen een hoogstaande of lage groep mensen. De werkelijke superieure individuen vormen in iedere samenleving of beschaving een minderheid. Het is aan hen om de kar te trekken.

Stoddard blikt terug op Spengler en stelt dat een beschaving of samenleving die haar superieure individuen met elkaar laat voortplanten, en de rest van de groep ook zuiver houdt, onsterfelijk zou kunnen worden. Ze kan zodoende ontsnappen aan het idee van een cyclische cultuur. Deze kennis was reeds bekend in diverse hoogstaande culturen. Waarom wordt deze wetmatigheid dan niet gerespecteerd? Stoddard geeft drie redenen: overbelasting van de structuren die een beschaving vormen, de neiging tot biologische regressie en de manifestatie van atavisme.

Volgens Stoddard hebben hoogstaande beschavingen voordeel van sociale erfelijkheid. Dit houd in dat iedere generatie op een hoger startniveau van beschaving kan functioneren dan de vorige. Kan functioneren, omdat een toegenomen beschavingsniveau meer inzet en draagkracht van het volk vraagt.

De overbelasting van structuren ontstaat wanneer samenlevingen steeds complexer worden en de invloed van vreemde culturen en volkeren die spanningen en stress in een bestaande samenleving injecteert.

In de harde tijden van vroeger bleven de individuen met een sterke fysiek en een groot intellect over, ze zochten elkaar namelijk op. Dit was noodzakelijk op te overleven. De zwakkere mens, die de genoemde kwaliteiten ontbeerde of in mindere mate had, stierf sneller uit. De moderne samenleving wordt gekenmerkt door comfort en het wegnemen van zoveel mogelijk hindernissen. Kunstmatige, door de mens gemaakte factoren bieden de zwakke, domme of degenerate mensen meer dan ooit kans om te overleven. Op de sterke individuen heeft dit comfort en de afname van de hindernissen des levens ook een effect. Het sterke individu kan zich nog beter ontplooien en nog meer aan zelfexpressie doen. Hij of zij wordt daardoor sterk op zichzelf gericht en krijgt zodoende steeds minder kinderen. De succesvolle sterken in de samenleving die in de voorhoede van de vooruitgang stonden, waren beiden aanlokkelijk en beperkt door een groot aantal nieuwe invloeden. Macht, rijkdom, luxe, vrije tijd, kunst, wetenschap, onderwijs, overheid – deze en vele andere zaken compliceerden het leven in toenemende mate. Ongeacht of dit goed of slecht is, ongeacht verleidingen of verantwoordelijkheden, ze hadden dit gemeen: de sterken neigden er naar om menselijke energie af te leiden van raciale doeleinden naar individuele en sociale doeleinden.

De sterke man en vrouw kennen in de moderne, veilige, comfortabele samenleving nauwelijks nog enthousiasmerende prikkels. Persoonlijke en sociale aangelegenheden gingen de boventoon voeren over raciale kwesties. Op steeds latere leeftijd in het huwelijk treden, steeds minder kinderen krijgen en een noodgedwongen onvrijwillig celibatair leven dragen eraan bij dat de sterken in aantal afnemen en de zwakkeren in aantal toenemen, hetgeen leidt tot verloedering van het ras. Anders dan voorheen sterft de moderne samenleving af aan de top en breidt hij uit aan de onderkant. Dit is de neiging tot biologische regressie. Dit zijn de voortekenen van onherstelbare raciale verarming. Spirituele en mentale verarming gaat altijd vooraf aan de uiteindelijke fysieke ruïnering. Stoddard’s woorden blijken een haarscherpe analyse van de huidige stand van zaken in westerse landen.

Als derde factor noemde Stoddard de manifestatie van atavisme. In een samenleving bestaan er sterken, gemiddelden en zwakkeren. Deze groepen kunnen niet middels harde scheidslijnen worden gedefinieerd, zoals we ook het verschil tussen licht en duisternis niet haarfijn kunnen aangeven. Ook voor individuen is het lastig om verschillen te herkennen, waardoor er vermenging optreedt en kenmerken die vroeger aanwezig waren over de generaties heen verdwijnen terwijl meer primitieve kenmerken juist de kop opsteken. De zwakkere groep is volgens Stoddard gevuld met mensen die vijanden zijn van de beschaving omdat ze nog niet met de beste wil van de wereld tot beschaving kunnen worden bewogen. Een samenleving is slechts zo sterk als de balans van de bestanddelen die haar vormen. Sommige mensen zijn hun tijd vooruit, zwakkeren strompelen achter de tijd aan. Binnen de zwakkeren moet er ook onderscheid gemaakt worden tussen de congenitale zwakkeren die niet in te passen zijn in enige vorm van beschaving, in de woorden van Stoddard zijn dit de primitieven. Een andere grote groep zijn de degeneraten: imbecielen, zwakken van geest, neuroten en geesteszieken. De derde groep die door Stoddard wordt geïdentificeerd zijn de grensgevallen die besef hebben van beschaving maar nooit het gevraagde niveau kunnen bereiken. Stoddard gebruikt een term die voorheen niet eerder door iemand was gebruikt om de zwakkere groep als collectief te duiden: de ondermensen.

Beschaving is een hard gelag voor de zwakkere. Het biedt hem weinig voordelen en nog minder hoopvolle uitzichten. Doorgaans zit er niet meer in dan het bestaan omwille van bestaan zelf. Vroeg of laat komt hij erachter dat hij gefaald is. Daardoor voelt de last van beschaving voor een zwakkere zwaarder dan voor een sterkere. Het bestaan van discipline is al een onderdrukkingsmechanisme voor de zwakkere. Het zit hem dwars en straft hem overal waar hij zich beweegt of uit in de beschaafde samenleving. Beschaving is voor hem een kwelling, een spirituele en mentale gevangenis, terwijl hij door zijn gedrag doorgaans in een fysieke gevangenis belandt. Want dat is het lot van de zwakkere: onvrede en opstand, een revolte tegen beschaving zelf. Stoddard pleit ervoor om deze groep mensen te verklaren tot onaanpasbaar, afgeschreven en onverenigbaar met beschaving en vijandig ten opzichte van beschaving. Dit soort mensen zouden geweerd moeten worden uit beschaafde samenlevingen volgens Stoddard. Een beschaafde samenleving die interesse heeft in haar eigen voortbestaan neemt hiertoe ook maatregelen, of op z’n minst maatregelen om antisociale individuen of groepen kort te houden. Een gezonde samenleving heeft een verdedigingslinie die niet enkel bemand wordt door haar soldaten.

Revoluties kennen verrassend genoeg vaak sterke leiders. Stoddard noemt drie types: de eerder beschreven grensgevallen met soms een heel specifiek extreem talent, de onterfden en de misleidde sterken. De onterfden zijn individuen die onrecht hebben ervaren of een misstap hebben begaan. Omdat hun kans op persoonlijke groei en bloei in de beschaving is ontnomen tonen zij zich doorgaans verbitterde vijanden van de beschaving. De misleidde sterke klinkt als een contradictie: zou een werkelijke sterke niet dusdanig capabel moeten zijn dat hij niet misleid zou kunnen worden? Sommige mensen zijn dusdanig getalenteerd en lopen zo ver vooruit dat zij gefrustreerd raken door het gebrek aan vooruitgang van de grote massa achter hen, de breuklijnen in de beschaving, de zonden van de massa en de foute gedachte dat iedereen zoals hem zou moeten zijn. Hij keert zich daardoor tegen zijn eigen beschaving. Een tweede reden is dat zwakte in ons allen aanwezig is. Natuurlijk zijn er maar weinig revoluties volledig slecht. Hun vernietigingszin impliceert een wegvagen van onrecht. Maar tegen welk een prijs! Geen ander proces is zo verschrikkelijk kostbaar als een revolutie. Zowel de sociale als de menselijke slachtoffers zijn meestal afschuwelijk en vaak onherstelbaar. In zijn korte uur doet de zwakkere zijn werk. Niet alleen haat hij beschaving, maar ook de beschaafde sterke man, de onbeschaafde zwakkere richt zijn vernietigende woede op individuen evenals op instellingen. Het doel is altijd gelijkheid. Om dit te bereiken moeten alle hoofden die boven hem staan eraf. Het tragische is dat de zwakkere, door zijn gebrek aan verheffende eigenschappen zich altijd onder een nieuwe heerschappij zal vinden van sterken, totdat er uiteindelijk zo weinig sterken over zijn dat de hele beschaving ineenstort. Later in het boek noemt Stoddard de filosoof Rousseau een getroebleerd genie: duidelijk een getalenteerd denker en schrijver, maar geplaagd door mentale instabiliteit, morele zwakte en seksuele perversie. Oorzaak? Zijn zwakke vader, een gekende dronkenlap, vechtjas, klaploper en algehele dwaas. Let wel, Stoddard lijkt Rousseau hier te prijzen, maar niets is minder waar. Hij kan de stijl van zijn denken en schrijven waarderen, maar noemt de invloed van Rousseau verderfelijk. Stoddard maakt met name Rousseau’s credo van een terugkeer naar de oerstaat van de mens belachelijk, verwoord door Rousseau middels het volgende citaat: “Ga terug het woud in en wordt weer mannen!”

In hoofdstuk twee opent Stoddard een frontale aanval op het idee van gelijkheid. Hij noemt het een verzinsel van de menselijke verbeelding. De natuur kent geen gelijkheid. Deze wet van ongelijkheid is net zo universeel en onwrikbaar als zwaartekracht. Stoddard haalt het voorbeeld van evolutie aan. Evolutie is een proces van differentiatie. Dit is een proces van verschillen creëren. Des te complexer de levensvorm, des te hoger het niveau van differentiatie. Stoddard beschrijft dat dit door biologie is vastgesteld, maar dat tegenstanders, ook in zijn tijd al ervoor kozen om de wetenschap te negeren, boos worden, schreeuwen, dreigen met geweld en zelfs moord en de belofte “dat wíj gelijk zullen krijgen!” en “het is volgens deze mensen de plicht van de samenleving om te nivelleren ongeacht capaciteit of dienstbaarheid aan de samenleving.” Stoddard vervolgt: “Dit is het aloude socialistische mantra van distributie naar behoefte.”

Stoddard noemt enkele klassieke raciale denkers die het van belang vonden dat de sterken zich met elkaar zouden voortplanten: Theognis van Megara, Plato, Aristoteles, Shakespeare.

Ook het gelijkheidsdenken kende haar grote denkers. Stoddard citeert John Stuart Mill: “Van alle vulgaire manieren om aan de overweging te ontsnappen van het effect van sociale en morele invloeden op de menselijke geest, is de meest vulgaire die van het toekennen van de verscheidenheid van gedrag en karakter aan inherent natuurlijk verschillen.”

Locke en Hume zeiden beide het volgende: “De menselijke geest is een onbeschreven blad en het brein een structuurloze massa, zonder inherente organisatie of tendensen om zich op deze of die manier te ontwikkelen; een massa van ongedefinieerde potenties die, via ervaring, vereniging en gewoonte, door middel van onderwijs, kortom, kan worden gevormd en ontwikkeld tot een onbeperkt mate en op elke manier of richting.”

Zowel de sterk Frans-getinte Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (met een grote rol voor Rousseau) als de Amerikaanse grondwet zijn sterk beïnvloed door dit gelijkheidsdenken.

Uit de namen van de denkers kunt u het al afleiden: raciaal denken was voor de Verlichting heel normaal. Gelijkheidsdenken is een typisch verschijnsel van de moderniteit. Wel is het zo dat er ook in de oudheid al dissidente gelijkheidsdenkers waren en de moderniteit ook dissidente raciale denkers kende als Arthur de Gobineau, Pierre Paul Broca, Georges Vacher de Lapouge, Christoph Meiners, Ernst Haeckel en Johann Friedrich Blumenbach.

Stoddard wijdt uit, met name aan de hand van diverse biologen, waarom de omgevingsfactor op eigenschappen als intelligentie niet meer is dan kolder. Hij citeert Frederick Adams Woods uit zijn wetenschappelijke artikel met de titel ‘The Law of Diminishing Environmental Influences.’ uit april 1910: “Experimenteel en statistisch gezien is er geen bewijs dat de omgeving de mentale en morele eigenschappen in meetbare mate zou kunnen veranderen ten opzichte van hoe de eigenschappen vooraf bepaald waren om door aangeboren invloeden voortgebracht te zijn.”

In een later artikel, uit 1913 met de titel ‘Heredity and the Hall of Fame’ heeft Adams Woods onderzocht hoe de familierelaties waren tussen prominente Amerikanen. Het criterium hierbij was dat ze vernoemd werden in de gerenommeerde encyclopedieën van die tijd. De 3.500 eminente Amerikanen bleken sterk aan elkaar verwant te zijn, niet als 1 tot 500 maar als 1 tot 5. Door het verder vernauwen van de groep tot de meest eminente individuen van de 3.500 onderzochte individuen bleek de statistiek zelfs te dalen tot een verwantschap van 1 tot 3. Prominente Amerikanen blijken 500 tot 1000 maal meer gerelateerd aan andere vooraanstaande personen te zijn dan de gewone Amerikaan. Of, om het op een andere manier te zeggen, circa 1 procent van de bevolking van de Verenigde Staten heeft een net zo grote kans om een genie produceren als de rest van het land bij elkaar – de andere 99 procent. De bevindingen van Adams Woods bevestigden een onderzoek van zeer veelzijdige wetenschapper en pionier in de eugenetica Francis Galton, gepubliceerd in diens boek ‘Heredity Genius’. Saillant detail: Galton was zelf verwant aan Charles Darwin. Stoddard sluit dit thema af door meerdere individuen te noemen en te beschrijven van een groot kaliber uit een vooraanstaande familie.

Soms is het het beste om Stoddard zelf aan het woord te laten, zonder inkorting, zonder duiding: “We observeren geleidelijk een algemene loslating van de moraal, een verdwijning van de logica van gedachten en daden, een morbide prikkelbaarheid en weifeling van de publieke opinie, een ontspanning van karakter en discipline. Overtredingen worden behandeld met een frivole of sentimentele inschikkelijkheid die boeven van allerlei aard aanmoedigt. Mensen verliezen de kracht van morele verontwaardiging en de kracht om het te verachten als iets banaals, niet-gevorderd, onelegant en onintelligent. Daden of uitspraken die een man voorheen voor altijd zouden diskwalificeren uit het openbare leven zijn niet langer een obstakel in zijn carrière. Verdachte en besmette persoonlijkheden hebben tegenwoordig de mogelijkheid om op te klimmen naar verantwoordelijke posities. Gezond verstand wordt zeldzamer en minder waardig geacht. Niemand is nog geschokt door de meest absurde voorstellen, maatregelen en modes. Dwaasheid in wetgeving, bestuur, binnenlandse en buitenlandse politiek. Elke demagoog vindt een volgeling, elke dwaas verzamelt aanhangers, elk evenement maakt een overdreven reactie los, ontsteekt belachelijk enthousiasme, verspreidt morbide consternatie, leidt tot gewelddadige manifestaties in de een of andere zin en tot officiële procedures die vaak nutteloos zijn. Iedereen eist ‘rechten’ op en rebelleert tegen elke beperking van zijn willekeurige verlangens bij wet of gewoonte. Iedereen probeert het ontsnappen aan de dwang van discipline en het afschudden van de last van plicht.”

De Franse socioloog Bertillon heeft vastgesteld voorafgaand aan publicatie van het boek vastgesteld dat in grote steden als Parijs, Berlijn, Wenen en Londen mensen de geboorteaantallen in achterstandswijken drie keer zo hoog lagen als in de beste wijken. Enkel de sterkere mensen hebben zich significant aangepast aan de moderne samenleving die wordt gekenmerkt door weinig oorlog, weinig ziekte en weinig tegenslag. Het was voorheen noodzakelijk dat er veel kinderen werden geboren, omdat er een reële kans was dat een deel van de kinderen binnen een gezin zou komen te overlijden.

“Het feit is, dat met de huidige kosten van wonen, de huidige belasting, de huidige prijs van huizen, een ‘gezin’, zoals die term vroeger werd begrepen, onmogelijk is. Het betekent, geen ongemak, maar ontbering, met consequentie verslechtering van de gezondheid. Het is daarom veel beter om een gezond kind groot te brengen en het een redelijk te veroorloven onderwijs aan te beiden dan om te proberen drie kinderen groot te brengen met onvoldoende eten en zonder de hoop goed onderwijs voor alle drie te kunnen veroorloven. Maar het onheil stopt daar niet. Het is algemeen bekend dat middenklasse-huwelijken momenteel uitgesteld worden vanwege problemen met huisvesting en voedselproblemen. Veel mannen vermijden het huwelijk helemaal vanwege de zware financiële belasting die het oplegt. Niet langer is het inkomen van een man voldoende om een gezin te onderhouden. Als een vrijgezel kan een man zijn plezier najagen, zijn vrijheid van actie behouden en kan zich veroorloven om zich te amuseren met vrienden. Hij deinst terug voor het alternatief van hard en eerlijk werk, zuinig leven. Een minimum aan plezier wordt verruild voor een maximum aan angst.”

Laat dankzij Stoddard duidelijk zijn dat hoewel MGTOW of incels geen nieuwe fenomenen zijn, ze wel worden geboren uit zwakte.

In hoofdstad 4 beschrijft Stoddard kritiek. Hij maakt onderscheid tussen destructieve en constructieve kritiek. De laatste vorm is bedoeld om defecten weg te werken en om de weg vrij te maken voor perfectie. Destructieve kritiek is bedoeld om verbittering te doen toenemen, wanhoop omtrent de huidige stand van zaken te doen toenemen en mensen vatbaar te maken voor oproepen tot ingrijpende revolutie. Destructieve kritiek is bedoeld als veroordeling. Stoddard biedt hier een les aan die ook voor ons geldt: terugverlangen naar een vrije, eenvoudige, traditionele samenleving, een Gouden Eeuw is funest, vooral omdat deze Gouden Eeuw doorgaans veel te positief wordt gepresenteerd. Destructieve kritiek is vaak systemische kritiek, niets zou er deugen aan het tijdsbeeld. Politiek, sociaal en qua kunst, onderwijs en wetenschap zou er van alles mis zijn. Destructieve kritiek is bedoeld om de sociale orde te ondermijnen en van ieder moreel krediet te ontdoen.

De rest van het boek betreft een ruime uiteenzetting over waarom communisme opkwam in Rusland en waarom de Franse Revolutie plaats kon vinden. Deze revoluties begonnen met destructieve kritiek, het revolutionaire eindresultaat wordt gedetailleerd beschreven door Stoddard. Duidelijk wordt dat communisme ten alle tijden gedoemd is om te falen vanwege haar egalitaire en daarmee destructieve, regressieve aard. Ook het despotisme wat communisme zo kenmerkt leidt er uiteindelijk toe dat de partij en haar volgelingen zich uiteindelijk altijd tegen elkaar keren.

In het verlengde van kritiek haalt Stoddard ook kunst aan. Hij haalt met name uit naar expressionisme en andere moderne kunst. Moderne kunst is volgens hem altijd bedoeld als felle rebellie tegen de dingen zoals ze zijn. Het is daarnaast een desintegrerende, degeneratieve reactie. “Deze nieuwe kunstvormen hebben geen enkele constructieve bijdrage te leveren, zeker niet in vergelijking met de kunstuitingen die ze zeggen te willen vervangen.” Wat door moderne kunstenaars gezocht wordt is vrijheid, een vrijheid van vorm, stijl, traditie, zelfs de werkelijkheid zelve. Moderne kunstenaars halen zo uit naar deze waarden omdat ze bourgeois, afgezaagd, ouderwets, aristocratisch of dom zouden zijn. De moderne kunstenaars en hunner producties zijn inderdaad volledig vrij, waarmee wordt bedoeld een staat van ongebondenheid en het ontbreken van relaties tot iets anders. Moderne kunst was in die tijd al van het type schilderijen zonder verf, maar in plaats daarvan knipsels, knopen, paperclips en een wirwar van kleuren die vastgeniet, geweven of vastgenaaid werden. In de dichtkunst zijn gedichten zonder woorden ontstaan, omdat woorden een bepaalde structuur en daarmee zogeheten machtsrelaties vereisen. Moderne kunstenaars worden gekenmerkt door hun afkeer, haat zelfs, van de erfenis van voorgaande generaties.

Voorwaarts denkende geesten komen naar het besef dat sociale revoluties echt sociale uitsplitsingen zijn, veroorzaakt (in de laatste analyse) door een dubbel proces van raciale verarming – de eliminatie van superieure stammen en de vermenigvuldiging van zwakkeren. Onverbiddelijk erodeert het verval van raciale waarden de meest trotse beschaving, die in zichzelf die krachten van chaotische ondergang in zich draagt. Om dit proces tegen te gaan pleit Stoddard voor eugenetica, zowel de positieve als negatieve variant die zou moeten leiden tot de creatie van een neo-aristocratie. Eugenetica is volgens Stoddard niet bedoeld om een stereotype supermens als ideaal te postuleren. In plaats daarvan pleit Stoddard voor een aanpak die de populatie systemisch en in de breedte verheft tot een hoger niveau. De eerder genoemde neo-aristocratie moet volgens Stoddard geen politieke zijn, maar een filosofische en spirituele neo-aristocratie.

Het is tijd om toe te geven aan onze mysterieuze oerdrift om van beest tot man te verworden en om van navelstaarder in een bewonderaar van de sterren te veranderen.”

Isengrim