Aristoteles over immigratie, diversiteit en democratie

Dit artikel is een vertaling van ‘Aristotle on Immigration, Diversity, and Democracy’ van Guillaume Durocher, gepubliceerd op 24 februari 2017 op The Occidental Observer.

Een manier waarop je de intellectuele en morele degeneratie van het Westen van de laatste decennia kunt meten, is door te kijken naar de haast complete onwetendheid betreffende de klassieke werken van de Westerse beschaving, zelfs bij de zogeheten hoogopgeleide klasse. Zij die onwetend blijven over wat de superieure filosofen voor ons daadwerkelijk dachten, zijn gedoemd kinderen te blijven die op zijn best opnieuw het wiel zullen uitvinden, in plaats van te staan op de schouders van de allergrootsten.

Hoewel de werken van de Oudgriekse literatuur duidelijk zijn geschreven in een andere tijdsgeest dan de onze, spreken de zorgen erin beschreven ons nog maar al te vaak direct aan. Aristoteles’ Πολιτικά (Politika), zijn belangrijkste werk over politiek, staat vol met commentaren over de gevaren van diversiteit en egalitarisme. Zijn politieke gedachte heeft niet de eugenetische en spirituele diepte van Plato, maar zijn gematigde en pragmatische stijl van politiek is niet alleen veel makkelijker te begrijpen voor hen die opgegroeid zijn in een modern liberalistisch tijdperk, het is ook een betere introductie tot de verdere communitaristische en aristocratische ethiek van de oude Grieken.

Aristoteles houdt zich veelal bezig met het behoud van vrede tussen de burgers in de stadstaat. Eén van de meest voorkomende oorzaken van “factie” en burgeroorlogen, zo stelde hij, waren de ongelukkige gevolgen van niet-geassimileerde immigratie en de daaruit voortvloeiende diversiteit. Aristoteles zijn proza is helder:

Heterogeniteit van facties kan leiden tot fractie – in ieder geval totdat ze tijd hebben gehad om te assimileren. Een stadstaat kan niet worden samengesteld uit een willekeurige verzameling van mensen, of in een willekeurige periode van tijd. De meeste steden die kolonisten hebben toegelaten, in moment van oprichting of op een later moment, zijn op den duur ontsteld door fractie. Bijvoorbeeld, de Achaeërs voegde zich bij kolonisten uit Trezen in het stichten van Sybaris, maar verdreef ze zodra hun eigen aantallen toenamen; en dit trok hun stad in een vloek. Bij Thurri, de Sybarieten ruzieden met de andere kolonisten die zich bij hen hadden aangesloten bij de kolonisatie; ze eisten speciale privileges, op grond dat zij de eigenaren waren van het desbetreffende territorium en dat ze door de kolonisatie verdreven waren. Bij Byzantium werden de kolonisten die later arriveerden verdacht van een samenzwering tegen de eerder gearriveerde kolonisten en werden met geweld verdreven; een soortgelijke verdrijving vond plaats op de ballingen uit Chios die door de oorspronkelijke kolonisten in Antissa werden toegelaten. In Zancle werden de originele kolonisten verdreven door de Samianen, die zij zelf toegelaten hebben. In Apollonia, aan de Zwarte Zee, werd fractieconflict veroorzaakt door de komst van nieuwe kolonisten; in Siracusa leidde de komst van burgerrechten voor vreemdelingen en huurlingen aan het einde van de titanenstrijd tot een opstand en zelfs een burgeroorlog; en in Amphipolis werden haast alle oorspronkelijke burgers na erkenning van de Chalcidian-kolonisten verdreven door, jawel… de Chalcidian-kolonisten.”

Oftewel: immigratie van verschillende volken was een veelvoorkomende bron van conflict, die vaak leidde tot burgeroorlogen en uitliep tot genocides van ofwel de oorspronkelijke bewoners, ofwel de immigranten.

Aristoteles zijn ideaal van burgerschap, die zowel maatschappelijke dienstplicht als groepssolidariteit inhoudt, vereist noodzakelijkerwijs een sterke gemeenschappelijke identiteit en een scherpe differentiatie tussen burgers en – vanuit de Grieken hun perspectief – buitenlanders. De huurlingen uit het buitenland hadden dan ook vrijwel geen solidariteit met de Griekse burgers en werden hierdoor door de tirannen vaak gebruikt om hun onrechtvaardige beleid te handhaven.

De bewaking van een legitieme koning bestaat uit burgers: die van een tiran bestaat uit buitenlanders.”

Het is een karakteristieke trek van tirannen om nooit iemand te kunnen waarderen omwille van hun geest van waardigheid en onafhankelijkheid. De tiran eist een monopolie van dergelijke kwaliteiten voor zichzelf; hij voelt dat iedereen die een rivaliserende waardigheid beweert te hebben of met enig onafhankelijkheid handelt, zijn eigen superioriteit en de despotische kracht van zijn tirannie bedreigt; hij haat hem als een ondermijner van zijn eigen gezag. Het is ook een karakteristieke trek van tirannen om de voorkeur te geven aan het gezelschap van vreemdelingen dan dat van de burgers aan tafel en in de maatschappij; burgers, zo hebben zij het gevoel, zijn vijanden, maar vreemdelingen zullen hen geen weerstand bieden.

Deze passage doet sterk denken aan de tirannie van de Bolsjewieken in de Sovjet-Unie van de vroege jaren 1900, toen de overheid, en voornamelijk de geheime dienst, voor het grootste deel bestond uit mensen die niet-etnisch Russisch waren. Zoals Aristoteles heeft opgemerkt, wordt elke poging tot onafhankelijkheid onder een dergelijk systeem genadeloos neergeslagen.

Een hieraan gerelateerd idee van Aristoteles is dat etnische homogeniteit het voor een groep mogelijk maakt om dermate solidair met elkaar te zijn dat het ze in staat stelt een tirannieke heerschappij om ver te werpen, waar een diverse populatie zonder gemeenschappelijke identiteit een veel makkelijker slachtoffer maakt voor zo’n dergelijke tiran. Hierdoor beargumenteert hij zelfs dat het hebben van een zo divers mogelijke slavenpopulatie het beste zou zijn, omdat hier makkelijker over te heersen is dan een homogene groep met een sterk besef van hun identiteit en oorsprong. Dit is iets wat ik, vanwege het willen bewaren van vrede en genetische integriteit, overigens niet omarm:

De klasse die het arbeid verricht zou, ideaal gezien, mochten wij die keuze hebben, slaven zijn – maar niet slaven afkomstig van eenzelfde stam of van stammen met een “vurig temperament”. Dit zal op den duur goede arbeid verzekeren en elimineert elk gevaar van revolutionaire proporties.”

Concluderend: een massa van gemixte mensen zonder identiteit zal eerder ten prooi vallen aan een tiran dan een volk wat bewust is van haar identiteit en oorsprong – iets wat de vijandige elite van het Westen maar al te goed lijkt te begrijpen, gezien hun beleid betreffende massa-immigratie en het alsmaar herhaalde mantra dat “diversiteit is onze kracht” zou zijn.

Aristoteles merkte tevens op dat migranten niet alleen een favoriet wapen bleek te zijn van de tirannen, maar ook van de extremistische egalitaristen. Hij schrijft: “In Amphipholis introduceerde iemand met de naam Cleotimus kolonisten uit Chalcidice en zei dat ze na hun vestiging de rijken moesten aanvallen”. Hij zegt dat de naturalisatie van buitenlanders een sleutelrol heeft gespeeld in de komst van een extremere vorm van democratie in Athene. Over Cleisthenes, van wie gezegd wordt dat hij de democratie in de betreffende stad heeft gesticht, schrijft hij het volgende: “Na de verdrijving van de tirannen zorgde hij ervoor dat er in de stammen verschillende vreemdelingen bijkwamen, zowel buitenlanders als slaven.” Aristoteles zegt dat democraten hun regime versterken door pogingen hun burgers te vermengen, waarmee oude identiteiten langzaam maar zeker worden afgebroken en het individualisme zo steeds meer wordt aangewakkerd.

Andere methodes die ook bruikbaar zijn in het bewerkstelligen van deze ultieme en meest extreme vorm van democratie zijn methodes zoals geïntroduceerd door Cleisthenes in Athene, waar hij de bevordering van de democratie wilde bewerkstelligen, of methodes die gebruikt zijn door de stichters van de populistische overheid in Cyrene. Een aantal nieuwe stammen en clans zouden moeten worden geïnstitutionaliseerd door oudere stammen en clans; private groepen zouden moeten worden gereduceerd in aantal en tezamen komen in gemeenschappelijke centra; en elke inspanning moet worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat alle burgers mixen met elkaar, zoveel als dat mogelijk is, zodat oude loyaliteiten worden afgebroken. Alle maatregelen die door tirannen worden aangenomen, kunnen tevens als genegenheid voor de democratie worden beschouwd. Als voorbeeld kunnen we de vergunning voor slaven nemen, de vergunning voor vrouwen en kinderen en het beleid van “leven zoals je wil”. Er is veel dat een dergelijke constitutie zou steunen, gezien de meeste mensen meer genot halen uit een leven zonder discipline dan in een leven van gematigdheid.

Allen van dit lijkt bijzonder aardig aan te sluiten op wat de Amerikaanse schrijver Samuel T. Francis “anarcho-tirannie” noemde: door het verzwakken van traditionele gemeenschapsidentiteiten en tevens ook de autoriteit van de vaders van de gezinnen krijg je een populatie van zogenaamde “bevrijdde individuen”, wat in de praktijk niets meer blijkt te zijn dan een impotente massa, die vervolgens op gemakkelijke wijze kan worden gemanipuleerd door demagogische politici. Aristoteles beschouwde een extreme vorm van democratie dan ook als onwenselijk, omdat het onvermijdelijk zal leiden tot wanorde en individualisme.

Zelfs bij de oud-Griekse filosofen is Aristoteles met gemak een zeldzaamheid te noemen, omdat hij de democratie niet in haar geheel afkeurde, maar voor een zekere gematigde vorm ervan pleitte. Hij is er voorstander van dat goed aantal mensen het burgerschap bezitten, die verstrekt zou worden mits ze gediend hebben in het leger en bezit hebben in de vorm van een huis of boerderij – iets wat we later terug zien in de Romeinse Republiek. Hij pleit voor een “gemengd regime” met daarin democratische, oligarchische en aristocratische elementen die vervolgens onderworpen zijn aan een grondwet die over het algemeen onveranderbaar is – deze grondwet stippelt hierbij een bepaalde manier van leven uit.

De visie van de Founding Fathers van de Verenigde Staten van Amerika tonen naar mijn inziens veel overeenkomsten met de politieke filosofie van Aristoteles. Het grootste verschil is wellicht dat Aristoteles pleitte voor een gematigde versie van een democratisch constitutioneel regime, niet op gronden van individuele “rechten” en “gelijkheid” (zoals dit wel het geval was bij de Founding Fathers), maar omdat dit het beste zou zijn voor de belangen van de gemeenschap zelf. Een gematigd democratisch regime zou zoveel mogelijk mensen een aandeel geven in het behoud van dat regime en zorgde ervoor dat de burgers allen hun beetje wijsheid mee konden geven aan de overheid.

Aristoteles betoogt krachtig voor een vorm van gerechtigheid die gecentreerd is op de gemeenschap: “Het goede waar de politiek voor moet zorgen is gerechtigheid; en gerechtigheid is datgene wat over het algemeen genomen de gezamenlijke belangen voorop stelt.” Hoeveel politieke discussies vandaag de dag – of ze nu over abortus, het homo-huwelijk, immigratie, economisch beleid, of wat dan ook gaan – refereert nu echt naar het algemeen goed in plaats van naar solipsistische en kinderachtige discussies over zogeheten “rechten” en “eerlijkheid’?

Terwijl Aristoteles duidelijk meer “bourgeois” is dan Plato, minacht ook hij de uitkomsten van het egalitarisme, die zich uiteindelijk manifesteren in democratisch extremisme en zelfzuchtig individualisme. Hij merkt op dat sommige democratieën zo extreem zijn, dat ze eigenlijk het bestaan van de staat ondermijnen en daarom niet zo lang zou blijven bestaan dan een gemodereerde democratie. Hij schrijft over het “valse idee van vrijheid” die zo vaak onze volken verleid heeft:

In democratieën van het soort dat wordt beschouwd als zijnde bijzonder democratisch is het gevoerde beleid precies in tegenstrijd met het echte belang. De reden hiervoor is een onjuist concept van vrijheid. Er zijn twee eigenschappen die meestal worden gebruikt om democratie te definiëren. Eén hiervan is de soevereiniteit van de meerderheid; de ander is de vrijheid van het individu. Rechtvaardigheid wordt hierin aangenomen te bestaan uit gelijkheid en gelijkheid uit de wil van de meerderheid als soeverein; vrijheid wordt hierin aangenomen te bestaan uit “doen wat je wil.” Het resultaat van een dergelijke visie is dat, in deze extreme democratieën, elk individu leeft zoals hij dat wil – of zoals Euripides zegt,

“Voor enig doel dat hij zou kunnen wensen.”

Dit is een slechte opvatting van vrijheid. Leven zoals de constitutie voorschrijft zou niet moeten worden beschouwd als slavernij, maar als verlossing.

Is dit allen niet een zeer nette samenvatting van de kwalen van het moderne liberalisme? Mijn stelling is dat het Westen in de jaren 1930 al ernstig besmet was met dit soort ideeën, maar pas vanaf de jaren 1960 zien we hoe erg het nu eigenlijk is. Vandaag de dag pleiten liberalen dus alleen voor “gelijkheid” en “solidariteit”, terwijl ze het fundament hiervan zelf ondermijnen en vernietigen door tegelijkertijd ook te pleiten voor multiculturalisme en een open grenzen-beleid.

Aristoteles levert een aantal sterke, rationele argumenten voor een gematigd constitutioneel regime van burger-soldaten die in hun politieke leven beperkt worden door een grondwet die onder meer de juiste manier van leven uitstippelt. In de komende etnostaat zal de grondwet noodzakelijkerwijs het behoud van de identiteit en etnisch-genetische belangen van de Europese volken moeten voorschijven als iets waar niet over te onderhandelen zal zijn.

Aristoteles beargumenteert hoe homogeniteit, een gemeenschappelijke identiteit en een bewustzijn van volksgemeenschap allen noodzakelijk zijn voor burgerschap, solidariteit en vrijheid die de mensen kunnen waarborgen van een tirannieke overheid. Hij beargumenteert voor een goede overheid die georiënteerd is op de gemeenschappelijke belangen en dus niet van zogeheten individuele “rechten”, caprice en gelijkheid. De politiek van de Oude Grieken zal alleen “autoritair” of zelfs “totalitair” lijken voor de moderne liberalen, maar feitelijk is de politiek van de oude Griekse stadstaten niets meer dan een samenkomen van paterfamilias, die samenkomen om hun verantwoordelijkheid voor het verdedigen, disciplineren en onderwijzen van hun stam/volk/verwanten te volbrengen.

Aristoteles zijn grimmige observaties over diversiteit zijn het waard om herhaald te worden: immigratie wat niet in staat is om te assimileren, kan alleen maar leiden tot conflict. Dit conflict kan vervolgens alleen worden beëindigd door separatie, wat alleen kan worden bereikt door de indringers dwingen te remigreren, of door de autochtonen te laten verdwijnen van hun voorouderlijke landen.