Anthony M. Ludovici – The Jews, and the Jews in England

1
209

Wie was Anthony Ludovici?

Via Archibald Ramsey’s “The Nameless War”, waar op deze webstek reeds een boekbespreking is verschenen, kwam ik als vanzelf uit bij deze parel, eveneens afkomstig uit het Engeland van voor de Tweede Wereldoorlog: “The Jews and the Jews in England”. Dit boek is bijna in de vergetelheid geraakt, wat onterecht is, want tachtig jaar na de verschijning heeft het nog niets aan zeggingskracht verloren. Ik besloot dat ook dit boek een inleiding verdiende.

De auteur, Anthony M. Ludovici (1882 – 1971), geboren in Londen, was zowel productief als veelzijdig. Hij publiceerde gedurende zijn leven veertig boeken, waarbij hij moeiteloos van het ene vakgebied naar het volgende overstapte. Hij schreef zowel over politiek, economie, religie, als over de klassieke antropologie. Als groot bewonderaar van Nietzsche schreef hij meerdere beschouwingen over de Duitse filosoof. In zijn jonge jaren, tijdens de Eerste Wereldoorlog, diende Ludovici aan de frontlinie en maakte daarna carrière als inlichtingenchef bij de MI6A, de Britse geheime dienst. Voor zijn verdiensten ontving hij “the Order of the British Empire”. In de jaren dertig van de vorige eeuw kwam Ludovici, die vloeiend Duits sprak, regelmatig in Duitsland en had hierbij ontmoetingen met leidende figuren. Tevens was hij lid van de “The Right Club”, opgericht door de reeds genoemde Archibald Ramsey.

“The Jews and the Jews in England” plaatst de invloed van joden in Engeland in een historisch perspectief. Centraal in het boek staat de verbanning van de joden uit Engeland in 1290, bekend als het “Edict of Expulsion”. Engeland zou 350 jaar min of meer jodenvrij blijven en pas in 1657 weer joden toelaten onder het bewind van Oliver Cromwell. Niet toevallig werden de revolutionairen van Cromwell gefinancierd door Fernandez Carvajal, een rijke jood uit Amsterdam. Deze en andere feiten worden in het compacte boek van niet meer dan 140 bladzijden steeds voorzien van voetnoten, waarbij opvalt dat grotendeels gebruik wordt gemaakt van joodse bronnen.

Joden als ethnoreligieuze groep

Het inleidend thema is de academische discussie of joden een min of meer raszuiver volk zijn gebleven ondanks de vaak moeilijke omstandigheden door de eeuwen, waaronder vervolgingen en meer dan honderd verdrijvingen. Hierbij haalt Ludovici de Fransman Ernest Renan aan, een vroege 19e eeuwse wetenschapper die beweerde dat de joden nooit van zuiver ras konden zijn gelet op ballingschappen en slavernij in de oudheid. Daarenboven introduceert Ernest Renan de theorie dat de Ashkenazi joden nakomelingen zijn van de Khazaren en daarom geen semitische oorsprong hebben. Deze theorie is echter vergezocht en alhoewel de Khazaren zich weliswaar hebben bekeerd tot het jodendom, wordt er algemeen van uit gegaan dat ze dit vanuit geopolitieke motieven deden en dat ze hun Turks-aziatische raciale identiteit hebben behouden. Ludovici noemt joodse bronnen zoals Joseph Jacobs, die stellig onderbouwt waarom vermenging van joods en niet-joods bloed weliswaar plaats heeft gevonden, maar tot aan de moderne tijd op relatief kleine schaal plaatsvond en dan alleen bij de onderklasse.

Ludovici pareert de beweringen van Renan verder door te onderbouwen dat zowel joden als hun tijdelijke overheersers zoals de Egyptenaren strikte rassenhygiëne in acht namen, wat dikwijls zelfs ertoe leidde dat in moeilijke tijden toevlucht werd gezocht tot incest. Christelijke keizers, zoals Constantijn, Constantius en Honorius, vaardigden overigens wetten uit die het voor joden verbood om christelijke slaven in dienst te nemen, mede om de kans op vermenging tussen deze groepen te verkleinen. We zien dergelijke wetten terugkomen in heel Europa gedurende de Middeleeuwen.

Geschiedenis van de joden in Engeland

Na de ondergang van het koninkrijk Juda in 586 voor Christus verspreidden de joden zich naar alle windstreken. Als volk op drift waren zij weinig gehecht aan de grond onder hun voeten. In oude tijden trokken ze noordwaarts uit het Arabisch schiereiland om zich te vestigen in vruchtbare gebieden tussen de Nijl, Tigris en de Eufraat. Gelegen op een kruispunt van beschavingen en handelsroutes, kregen ze hierbij te maken met concurrentie van diverse andere volkeren en leerden al vroeg om zich aan te passen in een stedelijke omgeving. Dikwijls kregen ze te maken met een overheersende macht, zoals de Babyloniërs en de Egyptenaren, en later de Grieken en de Romeinen. Ze speelden als kleine maar invloedrijke groep telkens een belangrijke rol bij hun gastvolk, waarbij ze meer dan eens de kant kozen voor de vijand van buitenaf.

Vanuit het vervallen Romeinse Rijk trokken ze verder Europa in, onder meer naar Engeland. Engeland voerde reeds in 669 een verbod in op het verkopen van christelijke slaven aan joden. Dergelijke regels zijn honderden jaren in stand gebleven, en in 1290 zelfs nog door de aartsbisschop van Canterbury bevestigd. Daarbij speelde niet alleen het raciale aspect, maar ook het religieuze aspect een grote rol: men wilde niet dat christenen zich tot het jodendom zouden bekeren.

Het staat buiten kijf dat de joden in het Engeland van de 11e eeuw voornamelijk bezig waren in functies als kredietverstrekker, belasting- en tolheffer en financieel tussenpersoon. De joden leenden geld uit, waarbij de rentes van 40-50% normaal waren en niet per jaar, doch per week of per maand werden geheven. Daarbij genoten de joden als schakel tussen de vorst en het gewone boerenvolk speciale rechten en bescherming. Bij wanbetaling hadden ze het recht zichzelf grond en eigendommen toe te eigenen, tenzij het eigendom was van de Kerk.

Deze situatie van snel toenemende rijkdom en de bijkomende pronkzucht van de joden leidde tot veel frictie tussen de vorst en zijn volksgenoten, waardoor de soeverein vorst zich genoodzaakt zag de joden forser te straffen bij wetsovertredingen. Maar de geest was uit de fles; de bevolking ergerde zich aan de religieuze eigenaardigheden, het feit dat joden zich een monopolie hadden verschaft op bepaalde producten en beroepen, waaronder het beroep van arts. De vijandschap werd extra gevoeld in de steden, alwaar vanaf 1146 (Norwich), de eerste beschuldigingen van rituele offers van jonge jongens werden gemeld die gebruikt werden voor joodse religieuze rituelen. Ze zouden worden gevolgd door nieuwe beschuldigingen, in Gloucester (1168), Bury St. Edmonds (1180), Winchester (1192 en 1232), Londen (1244) en Lincoln (1255) waarna anti-joodse sentimenten uitbraken in vrijwel heel het land.

De toenmalige koning Richard I probeerde met zalvende maatregelen het tij nog te keren. In deze periode bekeerden vele joden zich, althans voor de bühne, tot het Christendom, om vervolging te voorkomen. Onder zijn opvolger Henry III ging het er strenger aan toe; joden mochten niet meer werken als arts en in deze periode werden intieme relaties tussen joden en christenen streng verboden. De lijn werd doorgezet onder het leiderschap van zijn opvolger Edward I, die het heffen van rente en woekerij afbouwde en niet veel later geheel afschafte. Het dragen van een gele badge wordt verplicht voor alle joden. Aldus luidt het verdict:

“The Statute of Jewry in England, enacted by King Edward I, enforces the regulations. “Each Jew, after he is seven years old, shall wear a distinguishing mark on his outer garment, that is to say, in the form of two Tables joined, of yellow felt of the length of six inches and of the breadth of three inches.”

Daarnaast werden joden verplicht om een normaal productief beroep uit te oefenen als boer of knecht in de landbouw of als arbeider in de handnijverheid. Het behoeft geen verwondering dat dit de joden niet naar de zin was. Derhalve gingen ze over tot ondermijnende activiteiten als valsmunterij waardoor de economie ernstige schade leed, hetgeen er uiteindelijk toe leidde dat alle (zo’n 16.000) joden van de Britse eilanden werden verdreven. Wederom bekeerden sommige joden die niet wilden vluchten zich, al dan niet vormelijk, tot het Christendom om uitzetting te voorkomen.

Hiermee eindigde het joodse avontuur in Engeland voor een periode van ongeveer 350 jaar, met uitzondering van de bekeerlingen. Ludovici haalt echter diverse bronnen aan die bevestigen dat huwelijken tussen joden en niet-joden in het algemeen niet bepaald talrijk noch vruchtbaar bleken te zijn.

Aan de relatieve rust kwam in 1656 een einde, toen in Engeland een burgeroorlog uitbrak waarbij de factie van Oliver Cromwell gesteund werd door joden uit Amsterdam, waaronder Manasseh Ben Israel en de reeds genoemde Fernandez “The Great Jew” Carvajal. Cromwell kwam als overwinnaar uit de strijd en nadat zijn dictatoriale bewind eenmaal was ingesteld werden joden weer toegelaten. Hij verkoos zijn buitenlandse financiers boven de belangen van zijn Engelse handelaars en kooplieden, die op diverse plekken in opstand kwamen. Meer informatie over de achtergronden van deze machtsovername door Cromwell is te lezen in het boek “The Nameless War”.

Daarna ging het snel. Er werden wetten worden ingevoerd waardoor:

  • joden konden naturaliseren tot Engelsman (1740, 1753),
  • joden de functie van sheriff konden bekleden (1835),
  • joden tot baron verheven konden worden (Sir Isaac Lyon Goldsmid, 1841),
  • joden de status van ambtenaar konden verkrijgen (1845),
  • joden werden toegelaten als parlementslid (Baron Lionel de Rothshield, 1847)
  • Benoeming van een jood tot Britse premier (Benjamin Disraeli, 1868)
  • Benoeming tot joods overzees gouverneur (Sir Matthew Nathan, 1900) etc. etc.

Karakter van de joden

In dit hoofdstuk geeft Ludovici doorkijkjes naar het leven van de joden in het Romeinse Rijk en de Middeleeuwen. De verhouding tussen de vroege christenen en de joden in het Romeinse Rijk komt uitgebreid aan bod. Joden uit de onderklasse verwijderden zich steeds meer van hun religieuze tradities en voelden zich meer aangetrokken tot het christendom, aan wiens opbouw ze een wezenlijke bijdrage leverden.

Door de geschiedenis heen is gebleken dat de joden zich instinctief verzetten tegen normaal handarbeid of werken op het land. Wortels van dit gedachtengoed zijn volgens Ludovici reeds in de Talmud te vinden. Er wordt neergekeken op eerlijk werk als arbeider of boer en de door Ludovici aangehaalde statistieken bevestigen dit: de jood produceert niet, maar is een tussenpersoon. Hij koopt en verkoopt.

Dit wordt bevestigd door Israel Zangwell: “Inderdaad is de jood een geboren intermediair, en elke vorm van artistiek- of handelsbedrijf valt als vanzelf in zijn handen”

Dr. S.A. Cook geeft nog een treffende beschrijving: “de Semieten zijn beter in schermutselingen en korte aanvallen dan in langdurige strijd; ze zijn snel ontmoedigd, en hun organisatievermogen is beperkt. Maar ze kunnen verlies en pech accepteren en decennialang wachten op het moment dat ze wraak kunnen nemen; ze zijn afwisselend nu eens overdreven optimistisch en zelfverzekerd, dan weer wanhopig en pessimistisch. Ze worden oppervlakkig en ijdel, aristocratisch en gevoelig voor vernedering genoemd”

Lord Melchett bevestigt dit beeld door te stellen: “Ze zijn marskramers en handelaars geworden, geldleners, dokters, advocaten, elk beroep dat geen geworteld bestaan vooronderstelt, en dat een snel vertrek uit de woonomgeving mogelijk maakt… In feite zijn de joden de tussenpersonen en de stadsnomaden van de landen geworden waar ze zich hebben verspreid”

Tevens is het volgende fragment interessant, afkomstig van een Russische provinciale regering in 1882. In tegenstelling tot Engeland zijn joden niet voor lange tijd uit heel Rusland geweerd, maar waren ze verplicht zich te vestigen in gebieden in de periferie van het rijk, met name de Baltische staten en gebieden in het verre Oosten. Dit leidde tot groot ongenoegen en frustratie bij de joden, hetgeen later mede zou leiden tot de ‘Russische’ revolutie:

“De joden moeten stoppen met hun pronkzucht en opschepperij – zodat ze hun vrouwen en dochters niet aanmoedigen rond te lopen met zijde, fluweel, goud etc. Aangezien zulke kleding niet past bij de positie die ze innemen… de joden moet worden verboden christelijke burgers te misbruiken, en meer algemeen om ze te bespotten. Joden moet worden verboden markten op te kopen die in de basisbehoeften van Russen voorzien. Joden wordt verboden graan in te kopen met het oogmerk deze te verkopen op meer dan 30 kilometer afstand van de stad. De gemeente mag joden niet de standplaatsen van kermissen laten huren, zodat ze deze kunnen uitbuiten.

Ludovici haalt bij het onderzoeken van de karakteristieken van de joden vaak joodse geleerden aan: Zo stelt Dr. Ruppin dat “joden gezegend zijn met een ongebruikelijk psychologisch inzicht, door te wijzen op hun successen als acteur, muzikant, journalist en toneelschrijver”

De joodse geleerden Salaman en Zangwill worden aangehaald. Ze beschrijven de revolutionaire stemmingen in Europa die als gevolg hadden dat internationalistische liberale en socialistische ideeën in opkomst raakten, een ontwikkeling waarbij joodse hersens en geld een grote rol speelden.

Ludovici stelt dat dit niet alleen verklaard kan worden door het feit dat de joden met hun levensstijl in dergelijke liberale of socialistische democratieën het beste kunnen gedijen: De joden hebben diep van binnen tevens een afkeer van hoger gezag (door niet-joden), maar vooral ook een afkeer van, en een haatdragende jaloezie jegens nationalisme in territoriale zin gelet op hun geschiedenis als wortelloze rondtrekkende Bedoeinen.

Zangwill bevestigt de kosmopolitische aard van joden, en hun onverschilligheid ten opzichte van nationale tradities en gevoelens, hetgeen de autochtone bevolking reeds eeuwenlang tegen de borst stuit en waardoor ze zich talloze malen tegen hen hebben gekeerd. Deze volksaard is tevens een van de redenen dat joden vaak van binnen een natie heulden met de vijand en hiermee hun gastland verzwakten, in de hoop door handig manoeuvreren hun positie te kunnen versterken en nationale trots en tradities te breken. Het minderwaardigheidscomplex dat ontstaat door gebrek aan gevoelens van trots voor en associatie met hun gastlanden leidt tevens ertoe dat joden zich extra agressief omhoogwerken in de maatschappij, en een rusteloze ambitie bezitten.

Een en ander dient in het achterhoofd te worden gehouden bij het analyseren van de huidige beïnvloeding van het maatschappelijk leven, de instituties en de politieke besluitvorming in de westerse landen. De concrete invloed van joden die uit de voornoemde karakterschets resulteert bespreekt Ludovici in zijn laatste hoofdstuk.

Invloed van de joden

Ludovici start met de vraag, die hij van vrienden te horen kreeg, waarom het nodig is de joden kritisch in ogenschouw te nemen, en niet bijvoorbeeld de katholieken of de moslims. Ludovici stelt niet zonder enig gevoel van trots dat hiertoe de vorige hoofdstukken voldoende antwoorden geven. Gedurende de geschiedenis hebben bij uitstek de joden hun gastvolkeren telkenmale in de problemen gebracht. Hij stelt: “Als een bijzonder etnisch-aziatisch genetisch type dat verder niet veel voorkomt onder etnisch Europeanen, en in bezit van bepaalde psychologische kenmerken en een sterke wil tot opklimmen in de maatschappij, valt hij duidelijk op in een omgeving waar hij niet tussen gelijken verkeert, niet alleen door zijn merkwaardigheid maar ook door de zich herhalende effecten die uit zijn handelen resulteren”

Hiermee wil Ludovici zeggen dat in 4000 jaar van joods leven in de diverse gastlanden, de effecten van hun aanwezigheid en de reacties van het gastvolk daarom ook vaak gelijkenissen vertonen. Hun wil tot invloed en macht in deze gastlanden, met een bevolking die vaak minder meedogenloos ambitieus en vastberaden was, en een traditioneel leven als vakman of boer prefereerden, speelt hierbij een nauwelijks te onderschatten rol. Om de grote verschillen in geaardheid te onderbouwen, gaat hij dieper in op de genetische compositie van de verschillende volkeren. De grote genetische verschillen worden als mede-oorzaak gezien van de fundamentele problemen die ontstaan zijn door opname van joden in het publieke leven en het effect hiervan op het nationale leven.

Sommige Engelsen na Cromwell zagen de Aziatische invloed als een verrijking en een manier om het openbare leven op een hoger plan te tillen. Ludovici waarschuwt voor een dergelijk al te rooskleurig beeld. Ten eerste vanwege de aanleg van de jood als tussenpersoon en speculant. In het Engeland van de Middeleeuwen werd de economie grotendeels bepaald door de waarde van geproduceerde goederen. Na terugkomst van de joden is de samenleving ingrijpend veranderd, waarbij kapitalisme, speculatie en financiële dienstverlening van allerlei aard een belangrijker deel van de economie zijn geworden dan ooit tevoren. De samenleving en het eigendom is ontheiligd.

Als voorbeeld kan het recht op eigendom worden genoemd, zo stelt Ludovici. Vroeger kon je slechts eigendom verkrijgen als je bepaalde banden en belangen bij een stuk grond of vastgoed had. Bepaalde relaties, bloedbanden en verantwoordelijkheden richting je gemeenschap. Geen vreemdeling of speculant kon vroeger op enige wijze eigendom verwerven. Het begrip “eigendom” is daarmee de laatste eeuwen aan inflatie onderhevig geraakt. Onder invloed van de joden heeft een scheiding plaatsgevonden tussen eigendom enerzijds, en verplichting, traditie en verantwoordelijkheid anderzijds. Het begrip eigendom kreeg op deze wijze steeds minder betekenis.

Op deze wijze is stap voor stap een beweging ingezet naar het moderne zielloze kapitalisme. Daarom betwijfelt Ludovici of het nog zin heeft, de joden nogmaals uit Engeland te verbannen; de joodse ‘waarden’ en gebruiken in het zakenleven, in het maatschappelijk leven en in gebruiken en sociale mores zijn inmiddels dermate ingebed dat het een hels karwei zal zijn deze ‘moderne joodse tradities’ die door de autochtone bevolking zijn geadopteerd weer ongedaan te maken.

Ludovici gaat verder: de voornoemde ontwikkeling van zielloos kapitalisme leidt vrijwel onvermijdelijk tot communisme; het summum van gejudaïseerd eigendom dat vervolgens wordt geconfisqueerd waarbij eigendom onder de gewone bevolking grotendeels wordt afgeschaft. Ludovici maakt gehakt van zowel kapitalisme en communisme, twee systemen die beide inherent ridicuul zijn en haaks staan op een traditionalistisch Europa. Het enige verschil tussen deze twee ideologieën is de mate waarin de klasse van rijken erin slaagt om confiscatie van hun bezittingen te voorkomen.

Volgens Ludovici doorzien de joden het falen van het kapitalisme als gevolg van hun ontzieling van eigendom en doorgeslagen kapitalisme, en probeerden ze de vlucht vooruit te kiezen door eigendom dan maar helemaal af te schaffen en te concentreren onder de heersende klasse (van grotendeels joden) in een nieuw op te richten communistisch imperium, onder leiding van een despotisch bureaucraat.

Ludovici haalt Disraeli aan: “De joden neigen naar conservatisme, hun neiging is gericht op religie, eigendom en aristocratie. In geval de joden het conservatisme verlaten en hun toevlucht zoeken tot radicalisme, dan komt dat door jodenvervolging. Ze kiezen dan de kant voor de revolutionairen puur en alleen omdat ze de ondankbare christelijke wereld willen vernietigen wiens tirannie ze niet langer kunnen verdragen.”

Volgens Ludovici is dit citaat misleidend omdat de joden, zelfs in samenlevingen waar jodenvervolging geheel niet aan de orde was, zoals in Duitsland voor WOI en Frankrijk van voor de revolutie, alsmede in Engeland in de 19e eeuw, de joden toch kozen voor de revolutionaire en polemische krachten van liberalisme en de radicale ideologieën. Ze kozen voor ondermijning van de bestaande orde aangezien het Europa waarin ze leefden nog gebaseerd was op erfopvolging van machtsposities en aristocratische privileges en bijbehorende verplichtingen, waarin de joden waren uitgesloten van een groot scala aan invloedrijke posities.

Dit verklaart volgens Ludovici de onvermijdelijke transformatie van oude, aristocratische samenlevingen naar plutocratieën. Zowel in Frankrijk, Engeland als Duitsland ziet hij joden aan het hoofd van liberale partijstructuren die diametraal tegenover diegenen staan die traditie, recht door afstamming en het behoud van traditionele (ere)titels in stand willen laten. Ook hier maakt de auteur in het boek een uitstapje naar het Romeinse Rijk, alwaar vergelijkbare tendensen te ontdekken waren in de tijd van Cicero.

In de moderne tijd heeft deze historische ontwikkeling zich verder kunnen ontwikkelen, en de joden deden er in de negentiende eeuw niet geheimzinnig over hoe invloedrijk ze inmiddels waren. Zo stelt de joodse schrijver Simon Wolf in 1888: “We weten allemaal dat de eerste bankiers van de wereld -de Rothschilds- joden waren. We weten dat ze niet alleen de geldmarkt controleren maar ook de politieke toekomst van de Europese wereld… de pers in Europa wordt grotendeels gecontroleerd door joden. De leidinggevende (eind)redacteurs zijn joden.”

Ludovici stelt vast dat iedere welgeïnformeerde intellectueel moet kunnen zien dat deze ontwikkeling gaande is, en dat op belangrijke strategische topposities van waaruit macht kan worden uitgeoefend op media- politiek of financieel gebied, er een dermate hoge concentratie joden aanwezig is dat dit geen toeval meer kan zijn, maar een bewust en instinctief streven is. Hiertoe haalt hij Moses Montefiori aan, die reeds in 1840 voor een groep rabbi’s in Krakau betoogde: “Zo lang we nog geen controle hebben over de pers is jullie gepraat zinloos. Je kunt niks goeds doen in jullie samenlevingen of in het zakenleven. Zo lang we de pers niet kunnen gebruiken om de wereld te doen verdwazen en te misleiden zullen onze pogingen tevergeefs zijn en zal onze overheersing slechts een waanvoorstelling zijn.”

De prangende vraag rijst of de ‘joodse’ geest van de militant-liberale, anti-conservatieve, anti-nationalistische en anti-aristocratische krachten tot een permanent verlies van oude tradities, gebruiken en conservatieve principes zal leiden. De voornoemde invloed leidt volgens Ludovici tot desintegratie van het volkslichaam, verzwakking van het nationaal karakter en identiteit. Extreem liberalisme atomiseert de bevolking, verandert ieder mens in een geïsoleerd individu en zal er uiteindelijk toe leiden dat er een staat van permanente (bijna)-anarchie zal ontstaan. De banden die de verschillende rangen, standen en klassen ooit bijeen hielden als delen van een lichaam gaan ten onder als verkregen eigendom iets is waar geen verantwoordelijkheid naar je gemeenschap aan gekoppeld is en leiderschap wordt uitgeoefend door volksvreemde elementen.

Voetnoten:

1 Joseph Jacobs – “The racial characteristics of modern Jews”, Journ. Anthropoplogical Inst., Vol XV (1886), p. 43

2 “History of the jews in Engels” by A.M. Hyamson (London, 1908), pp. 5, 12 en 63

3 Expulsion of the Jews from England, by B.L. Abrahams (Oxford, 1895), p. 26

4 Hyamson, op. Cit., p. 39. De auteur noemt Lynn, Stamford, Norwich, Bury St. Edmunds, Colchester, Thetford and Ospringe alwaar de joden zijn verjaagd en afgeslacht.

5 The Growth of English Industry and Commerce (Cambridge, 1896), vol. I, p. 204

6 Hallam stelt in een voetnoot bij op. Cit., Vol. III, p. 369 dat volgens een analist onder Edward I, de joden valsemunterij pleegden tot de munt nauwelijks de helft van zijn waarde had behouden, en waardoor de prijzen fors stegen en de buitenlandse handel afnam.

7 Cambridge Ancient History, Vol. I, pp. 194-195

8 Qiddusin IV, XIV, 82a (“The Babylonian Talmud”, vertaald door Lazarus Goldschmidt, Berlin, 1932

9 Zangwill – Report of the fifth Session of the Universal Races Congress, article “The Jewish Race”, p. 274.

10 Lord Melchett – My Neighbour (Londen, 1936, p. 51)

11 Ibid., Vol. I, p.203

12 Ruppin, op. cit., Vol. II., p. 58

13 Salaman, op. cit. p. 39

14 Ripley – The Races of Europe op. cit. p. 365

15 Biography of Lord George Bennick, pp. 487-498

16 Bijvoorbeeld: The Orations of Marcus Tullius Cicero, C.D. Young, BA, London, 1883, p.445: “to despise the multitude of Jews, which at times was most unruly in the assemblies, in defence of the interests of the republic, was an act of the greatest wisdom” en
De Civitate Dei – Augustine: “When, meanwhile, the customs of that most accursed nation have gained such strength that they have been now received in all lands, the conquered have given laws to the conquerors”, en
Rutilius Numantianus – Itenararum, I, V, 318” “the virus creeps through the veins, and the conquered nation overcomes its conquerers”

17 Simon Wolf – op. cit. pp.37-39

18 Die Ausbeutung der christlichen Konfessionen und politischen Parteien auch die Juden, Frans Kayser (Munster NRW 1895, p.36)

19 Remembering Anthony M. Ludovici: January 8, 1882-April 3, 1971, by Greg Johnson. URL: https://counter-currents.com/2020/01/remembering-anthony-m-ludovici-9/

1 COMMENT

  1. Beste auteur,

    Veel dank dat u dit thema wilt bespreken!
    We worden al lang genoeg monddood gehouden en de media grijpt hard in als er kritieke geluiden komen tav ondermijning van het blanke ras.

    Hopelijk wordt dit gewoon een normaal gespreksonderwerp en hoeven we ons niet te schamen voor onze zorgen die wij als ras hebben, onze rivalen te benoemen!

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here


9 × = 27