Alternatieve economische ideeën

2
108

Er is een hoop te zeggen over het huidige neoliberale economische systeem. Zowel links als rechts is er vrij kritisch op, linkse kritiek gaat vaak over sociale ongelijkheid terwijl rechts meer kritisch is op corruptie en oneerlijke concurrentie. Uiteraard gebeurt er niets met deze kritiek, want links wandelt in de praktijk hand in hand met de liberalen, want een open markt is een prima manier om te nivelleren en links neemt graag ongelijkheid weg: door iedereen even arm te maken. Dingen als eer en traditie in stand houden vergt moeite, terwijl monetaire winst makkelijk en aantrekkelijk is, zodoende werkt een vrije markt en het winstmotief het vernietigen van cultuur en tradities in de hand. Marx stelde al in Das Kapital dat kapitalisme eerst tot haar maximale decadentie moet ontwikkelen voor socialisme zou ontstaan. Ondertussen vindt centrumrechts het neoliberale systeem eigenlijk wel prima, om de simpele reden dat zij er winst mee maken. Noch links nog rechts is bereid tot daadwerkelijke hervorming.

Binnen Erkenbrand zijn we absoluut verenigd in onze kritiek op neoliberalisme en globalisme. De invalshoeken van die kritiek variëren echter van syndicalistisch tot anarcho-kapitalistisch. Populaire economische denkers binnen Erkenbrand zijn onder andere Ludwig von Mises, Hans Hermann Hoppe, Gottfried Feder, Ezra Pound, C.H. Douglas, G.K. Chesterton, Ernst Friedrich Schumacher en Paus Leo XIII. De komende tijd willen we ons perspectief op economie uiteenzetten aan de hand van kritiek op het systeem. De meeste reactionair-nationalistische economische ideologieën berusten op een kritiek van woeker en behandelen de controle over arbeid en land. Overigens is communisme ook kritisch op woeker, maar bij Erkenbrand zijn we bepaald geen fans van communisme, ondanks dat Marx wel goede kritiek heeft op kapitalisme (bijvoorbeeld dat kapitaal sneller waarde accumuleert dan arbeid in een liberaal systeem).

Het is belangrijk om allereerst woeker te definiëren. In de breedste zin is woeker het maken van winst met kapitaal, zonder het investeren van arbeid, al zijn er nauwere definities van woeker die stellen dat woeker het heffen van excessieve rente is. Dus dat rente is toegestaan, maar binnen de perken der redelijkheid. In essentie gaat het erom dat arbeid en dus daadwerkelijke productie meer waarde moet hebben dan speculatie met kapitaal. Christendom verbiedt in theorie alle vormen van woeker, maar protestantisme staat het al sinds Calvijn toe en in de 20e eeuw heeft ook de Katholieke Kerk haar oppositie tegen woeker laten varen. Libertaire kritiek op woeker is zeldzamer dan religieuze of derde weg kritiek, maar ook libertairen formuleren kritiek tegen woeker op basis van onechte welvaartsschepping.

Met het geld vergaard uit het scheppen van onechte welvaart kopen megacorporaties zich vervolgens de politiek in en lobbyen voor gunstige wetgeving.

Naast woeker zijn wij tegen het materialisme van de neoliberalen. Hun politiek is een politiek van markten en winstmotief. De economie hoort mensen te dienen, niet andersom. Alles bij de neoliberalen draait om efficiëntie en winst. Men heeft het niet over het effect van economisch beleid op mensen, men spreekt in termen van groei en de noodzaak om inflatie gelijk te houden. Als het nodig is om Griekenland tot de bedelstaf te brengen om een economische crisis te voorkomen, dan moet dat maar volgens de neoliberalen. Zij privatiseren de winst en wentelen de kosten af op het publiek. Zorg te duur? Helaas moeten wij dan gaan bezuinigen om de boeken op orde te krijgen. Maar tegelijkertijd is dividendbelasting afschaffen een goed idee om het vestigingsklimaat te verbeteren. Winst gaat boven mensen dus. Dat wil niet zeggen dat wij het winstmotief als factor in menselijke interactie ontkennen, wij denken simpelweg dat het winstmotief alleen gaat overheersen in een maatschappij die ontdaan is van hogere idealen en waar iedereen allereerst zichzelf als individu bedient.

Om onze economische kritiek aan te vangen wil ik een aantal economische modellen uiteenzetten die in de vergetelheid zijn geraakt maar desalniettemin meritus hebben als model en die onder sommige Erkenbranders gedragen worden.

Syndicalisme

De definitie is “bestuur door vakbonden”. Het is van origine een linkse ideologie, gepopulariseerd in Frankrijk aan het einde van de 19de eeuw. Het was een marxistische ideologie die draaide rond klassenstrijd. Het werd echter al snel samengesmeed met nationalisme en daaruit ontstonden nationaal-syndicalisme en de eerste fascistische bewegingen. Mussolini was lange tijd een syndicalist, tot hij na de eerste wereldoorlog fascisme ontwikkelde aan de hand van de Romantische ideeën van Gabrielle D’Annunzio. De meest ideologisch zuivere nationalistische vorm van syndicalisme was die van de Falange Española de las JONS van José Antonio Primo de Rivera. Door haar associatie met fascisme en omdat de meeste Syndicalisten waren overgegaan naar Nationaal Syndicalisme is Syndicalisme na de tweede wereldoorlog in vergetelheid geraakt. Modern links verkiest anarcho-communisme boven syndicalisme als economische ideologie.

De kritiek van syndicalisme op kapitalisme en liberalisme berust op de organisatie van arbeid. De oplossingen die syndicalisme voordraagt berusten op arbeiderscontrole van industrie en organisatie op basis van vakbonden en coöperaties. Het syndicalistisch systeem wordt vaak vergeleken met het middeleeuwse gildesysteem, arbeiders binnen een sector controleren productie, opleidingen en prijzen. Een meester-leerling systeem zorgt dat expertise behouden wordt en de economie gestuurd wordt door mensen met expertise in hun vakgebied, welken beleid bepalen door stemming binnen de vakbond. Prijzen en commoditeiten zouden bepaald worden op een Bourse du Travail. Omdat de arbeiders door middel van hun vakbond of coöperatief directe controle hebben over het bedrijf, vloeit de winst direct naar de arbeider. Omdat prijzen vastgesteld worden op de Bourse du Travail, op basis van vraag en aanbod, maakt het kapitaalmarkten overbodig en woeker onmogelijk. Het is onmogelijk om winst te maken met kapitaal in dit systeem, want het enige van waarde is arbeid.

Voor de meer kapitalistische lezer klinkt dit ongetwijfeld als een vrij fantasievolle notie, en dat is het ook, want syndicalisme berust op haar eigen mythologie: de algemene staking. Het moment dat alle arbeiders zich tegen het systeem keren in een massale staking en het laten instorten, waarna zij een statenloze maatschappij zullen oprichten waar arbeiders alles controleren via vakbonddemocratie. In de praktijk is links syndicalisme dan ook nooit van de grond gekomen. Dus pasten nationaal-syndicalisten en fascisten syndicalisme aan op een manier dat het kon functioneren binnen de hiërarchie van een staat. Allereerst vervingen zij het idee van klassenstrijd met het idee van klassencoöperatie, alle klassen moesten samenwerken in dienst van het gedeelde vaderland. Alle sectoren van de economie horen aangewend te worden in het belang van de natie, want de natie is het volk en de staat hoort voor het belang van het volk op te komen. Van een statenloze maatschappij waar arbeid de markt zou vervangen was dus geen sprake meer. Verder omarmden zij productivisme, het idee dat men industriële productiviteit moet maximaliseren om de staat te dienen. Het winst motief diende vervangen te worden door dienst aan de staat als motivatie.

Italiaans fascisme is feitelijk de enige historische uitvoering van een vorm van nationaal-syndicalisme en Mussolini paste het aan opdat privaat eigendom gerespecteerd werd en industrieën nog steeds een eigenaar hadden, maar dwong wel werkgevers en arbeiders in één vakbond plaats te nemen zodat arbeiders inspraak kregen in de richting van het bedrijf en de winstuitkering. Het was een samenwerkingsdriehoek waarin de staat van werkgevers eiste dat zij beleid voerden dat in dienst stond van de staat, in ruil daarvoor voorkwamen zij stakingen door de arbeiders tegemoet te komen met sociale voorzieningen en zo vergroten deze weer hun productiviteit.

Dit model van bestuur noemden zij syndicalistische corporaties. Om de arbeiders tegemoet te komen introduceerde Mussolini de 8-urige werkdag, zwangerschapsverlof, kinderbijslag, ouderendag pensioenen, werkeloosheidsuitkering, ziektekostenverzekering en huurtoelages. Verder introduceerde Mussolini een uitgebreid publieke werken programma, met als doel het uitbreiden van de industrie en de levensstandaard.

Het was de inspiratie voor de latere New Deal en volgde de theorie van Keynes dat men zich uit een crisis kan trekken door grootschalige staatsschuld op te bouwen om productie te vergroten. In totale tegenstelling tot syndicalistische ideologie werd de bankensector gedereguleerd om dit programma te voorzien van kapitaal en om buitenlandse investeringen aan te trekken. De uiteindelijke economische vorm van Italiaans fascisme noemt men corporatisme, het samensmelten van de staat en het bedrijfsleven, omdat het uiteindelijk te ver van zelfs nationaal-syndicalisme kwam te staan. De Falange Española bleef veel dichter in de buurt van ideologisch syndicalisme, maar kwam nooit daadwerkelijk aan de macht. Toen de Rivera vermoord werd door communisten, nam Franco de naam Falange over maar stuurde het ideologisch meer richting Katholiek Paternalisme. Desondanks voerde Franco ook enige sociale hervormingen door naar syndicalistisch model, met name met betrekking op arbeidsrecht.

De fascistische hervormingen waren op lange termijn erg inefficiënt. Rond 1934, na de grote depressie, bevond 3/4e van de Italiaanse industrie zich in handen van de staat, wat een enorme hoeveelheid aan bureaucratie en inefficiëntie met zich meebracht. Groei was erg laag en de industrieën die nog in private handen waren gingen steeds meer richting kartelvorming.

Syndicalisme als pure ideologie is even utopisch als communisme, maar er kunnen nuttige dingen uit worden gebruikt, net als de fascisten dat deden. Met name de ideeën rond arbeidshervormingen en productie zijn waardevol. Het idee van vakbonden gebaseerd op coöperatie tussen werkgever en werknemer, met als doel het staatsbelang te dienen is een nuttig concept, al moet men daarin waken voor overdreven staatsinmenging in de werking van de bedrijven. Verder is het idee van gilden die een meester-leerling systeem hanteren een goed systeem om ons falende voortgezet onderwijs systeem mee te vervangen. Ambachtelijke beroepen zouden onderricht kunnen worden door vakbonden of bedrijven zelf, dit zou arbeidstekorten en overschotten kunnen oplossen en werkeloosheid reduceren, gezien vraag en aanbod direct met elkaar in communicatie staan en het niet noodzakelijk is om marktwerking ertussen te laten. Een werkgever leid zelf zijn personeel op en de werknemer heeft direct baangarantie.

Nationaal-syndicalisme stelt ook arbeid en productiviteit boven kapitaal, in ieder geval in ideologische zin, alhoewel niet altijd in de praktijk zoals we in Italië zagen, waar speculatie nog steeds bestond. Gilden en Vakbonden zouden dan ook aangevuld moeten worden met andere ideeën van buiten Syndicalisme om woeker uit te bannen, want de eigenlijke oplossing van Syndicalisme tegen woeker is het omverwerpen van de staat en kapitaal als middel uit te bannen, iets wat nogal onpraktisch is.

Aanbevolen literatuur

-“L’avenir Socialiste Des Syndicats”, Georges Sorel

-Verzamelde publicaties van Cercle Proudhon en Action Française, met name die van Charles Maurras.

-“Opera Omnia, Comento” en “La Dottrine del Fascismo”, Benito Mussolini

-“Geselecteerde werken, IV. De Staat”, José Antonio Primo de Rivera

Distributisme

Distributisme is een Katholieke economische filosofie die met name werd uitgedragen door radicale katholieke auteurs G.K. Chesterton en Hillaire de Beloc en door Paus Pius XIII in zijn Rerum Novarum. Distributisme verwerpt zowel Socialisme en kapitalisme als onvolmaakt. Distributisme stelt eigendomsrecht centraal en stelt dat de middelen van productie zoveel mogelijk verdeeld moeten worden. Oftewel het pleit voor lokalisatie, decentralisatie en het MKB als centrum van de economie. Het is tegen centralisatie van productie onder megacorporaties, tegen plutocratie en tegen overdreven staatsinmenging zij het in de vorm van sociaal democratie, communisme of staatskapitalisme. Een van de argumenten van distributisme tegen socialisme en kapitalisme is een afkeer van de Verlichting. Katholicisme beschouwd beiden als modernistische, anti traditionele modelen, voortgekomen uit de Verlichting en de industriële revolutie. Volgens distributisme stelen zowel socialisme als kapitalisme een vorm van wetenschappelijk economisme boven menselijk belang in zowel individuele als maatschappelijke zin. Het winstmotief van de Kapitalisten maakt mensen en hun geluk en welzijn ondergeschikt aan winst en groei, soms op ongelooflijk brute wijze. De socialisten aan de andere kant ontnemen mensen hun recht op zelfbeschikking en oefenen veel te veel dwang uit om op onnatuurlijke wijze te pogen ongelijkheid tussen mensen weg te hammeren. Distributisme erkent hierarchie als natuurlijk en ongelijkheid als deel van Gods orde. Wij zijn allen gelijkwaardig geschapen, maar zeker niet gelijk.

Distributisme pleit voor solidarisme in plaats van socialisme om sociale problemen op te lossen. Oftewel, liefdadigheid. Via de Kerk en andere instellingen die gebaseerd zijn op vrijwillige associatie zoals vakbonden, coöperatieven en NGO’s. Ieder geeft wat hij kan opbrengen, vrijwillig, zonder dwang en neemt zijn verantwoordelijkheid voor zijn directe omgeving. De voordelen van zo een decentraal systeem die vanuit de lokale kerk of buurthuis wordt verdeeld door mensen die in de gemeenschap zelf wonen, is dat het veel menselijker is. Er is een directe connectie met de gemeenschap. Het is efficiënter, want het kan direct bepalen wat de hulpbehoevende nodig hebben in de gemeenschap, zonder noodzaak voor een dure en afstandelijke bureaucratie die op inefficiënte wijze zonder achting voor de specifieke omstandigheden van het individu middelen toekeert. Uiteraard kan zo een systeem alleen werken als men een sterk gedeelde cultuur en morele gedragscodes bezit. Zonder een sterke Kerk is zo een systeem gedoemd om te falen. Om het systeem niet teveel te belasten berust Distributisme ook op de aanname dat er sterke familie verbanden bestaan waar men zich eerst op beroept in noodgevallen en dan pas op gemeenschappelijke hulpmiddelen. De kern van de maatschappij is dan ook het gezin in distributisme. Ouderenzorg wordt bijvoorbeeld voor de rekening van de familie als geheel genomen. Een systeem dat toch verkiesbaar is boven bejaardentehuizen waar men vereenzaamt onder de inadequate zorg van een kil industrieel systeem.

Het opvoeden van kinderen valt ook meer op de familie. Dit impliceert dat tenminste een ouder niet fulltime kan gaan werken, maar het is sowieso vrij ongezond dat beide ouders een 40-urige werkweek hebben en de kinderen op de kinderopvang achterlaten. Men werkt dan om de opvang te betalen, en mist het opgroeien van zijn eigen kinderen, een vrij absurd systeem. Beter blijft een ouder thuis om voor ze te zorgen.

Distributisme stelt dat dit systeem al eeuwen heeft gewerkt in Europa. Private liefdadigheid en hulp vanuit de kerk, met een sterk familie vangnet als eerste redmiddel, voorkwam armoede vrij effectief gedurende de middeleeuwen tot aan de industriële revolutie. Volgens distributisme waren het de krachten van moderniteit en industrie die dit systeem ontwrichten en dus moest het oude systeem aangepast en geformaliseerd worden om in de moderne wereld te functioneren en deze formalisering is wat de distributisten op zich namen. De voorzet werd genomen door Paus Pius XIII, toen hij opdracht gaf aan de geestelijken in Europa om een Katholiek antwoord te formuleren tegen het oprukkend liberalisme en socialisme in de late 19e eeuw. Het resultaat was de Rerum Novarum.

Distributisme stelt dat zoveel mogelijk mensen de kans moeten krijgen om eigendom te bezitten en zichzelf te ontwikkelen. Dat is de beste manier om mensen uit armoede te tillen, door hen een kans te bieden om eigen productiemiddelen te vergaren, wat zij verkrijgen door hun eigen arbeid. Arbeid moet dan ook lonen, dus pleit men voor redelijke salarissen in verhouding tot geleverde productie en geldende prijzen. Distributisme is ook niet tegen het vormen van vakbonden om deze rechten te vergaren. Echter, distributisme pleit voor gildes in plaats van vakbonden, die breder gaan dan alleen controle over arbeid in een sector, maar ook prijzen en productie. Verder stelt het dat gildes klassenstrijd voorkomen en vakbonden het juist bevorderen. Katholieke doctrine gebied dat men moet berusten in de plaats die God hem in het leven heeft gegeven en strijd tussen klassen werd gezien als strijd binnen de eigen familie: uit den boze.

Distributisme is tegen overheidscontrole van productiemiddelen, want concentratie van middelen in handen van de staat betekent dat er minder middelen beschikbaar zijn voor de gewone man en hij dus meer afhankelijk wordt van de gesocialiseerde staat en minder op eigen benen kan staan. Fréderic Bastiat, de Franse libertair, heeft een goede kritiek geformuleerd over waarom het slecht is dat de staat productiemiddelen bezit. Dit wil niet zeggen dat er geen gemeengoed kan zijn volgens distributisme. Parken, infrastructuur zoals wegen en spoorwegen dienen het algemeen goed en zijn geen productief eigendom, dus is het juist dat de staat als de vertegenwoordiger van het Volk deze onderhoud in het algemeen belang.

Tegelijkertijd is distributisme tegen de concentratie van eigendom in de handen van een kleine groep corporaties en kapitalisten. Dit betekent namelijk ook voor de gewone man minder kans op het bezitten van eigendom en eigen productiemiddelen en maakt hem afhankelijk van corporaties met het risico dat zijn arbeid oneerlijk wordt gecompenseerd, wat hem niet veel meer maakt dan een slaaf. In alle gevallen pleit distributisme voor zelfredzaamheid, kleinschaligheid, lokalisme en ziet het MKB, boeren en wat men nu ZZP’ers noemt als de kern en ideaal van een economisch gezonde maatschappij. Arbeid in loondienst is niet iets immoreels volgens distributisme, maar moet een opstap zijn om zelf eigendom te vergaren, niet een levenslange veroordeling. Distributisme stelt dat wanneer mogelijk, geen enkele grotere organisatie het werk dat gedaan kan worden door een kleinere op zich moet nemen.

Distributisme bestrijdt woeker door perk te stellen aan rentes, dus rente is alleen toegestaan “binnen de redelijkheid”, een wat subjectieve maatregel. Sommige distributisten zoals Dorothy Parker, pleiten voor het verbieden van alle vormen van rente. Maar het belangrijkste is simpelweg dat omdat de meeste mensen eigen productiemiddelen bezitten, zij niet heel erg afhankelijk zijn van kapitaalmarkten. Onder het principe van lokalisme ontmoedigd Distributisme ook grote banken en pleit het voor kredietunies. Liefst leent men onderling binnen de familiekring. In uiterste instantie kan men vertrouwen op een lokale coöperatieve bank voor kapitaal, oftewel een kredietunie die in handen van de gemeenschap zelf is en niet opereert vanuit winstmotief. Distributisme zou aandelenmarkten zoals wij ze kennen enorm inperken, omdat het aantal megacorporaties flink in aantal zou dalen door meer anti-trust wetgeving en door stappen te ondernemen tegen het vormen van monopolies. Distributisme zou nooit toestaan dat het genormaliseerd zou worden in een maatschappij dat het nemen van een hypotheek noodzakelijk is om een huis te kopen. Distributisme zou dan pleiten voor hogere lonen en maatregelen om vastgoed prijzen omlaag te krijgen. Sowieso zou distributisme het normaliseren dat één huis huisvesting biedt aan 3 generaties van een familie en zou het overdracht van eigendom binnen de familie vergemakkelijken. Afschaffen van erfbelasting en belasting op schenkingen bijvoorbeeld.

De kern van alles is de familie, dan de lokale gemeenschap en dan pas de staat.

Aanbevolen literatuur:

-“Rerum Novarum”, Paus Leo XIII

-“What is Wrong With the World”, G.K. Chesterton

-“The Servile State”, Hillaire Beloc

 

Georgisme

Georgisme is een vrij obscure economische theorie en is vergeleken met andere modelen zeer idiosyncratisch. Het is ontwikkeld door Henry George, vandaar de naam, in 1879. Het genoot redelijk veel populariteit in de Belle Epoque/Fin de Siècle periode, tegelijkertijd met distributisme en veel van haar aanhangers vloeiden over en weer tussen de twee.

Georgisme berust op belastingen op land, in plaats van het belasten van arbeid. Het idee is dat productiemiddelen en de winst en productie van commoditeiten die daaruit voortvloeien, in de handen van individuen moeten zijn, maar winst voortkomend uit land in algemene handen moet berusten. Dat houdt dus in, alle inkomsten uit natuurlijke bronnen. Gas, olie en mineralen, maar ook inkomsten uit vastgoed. Zij stellen voor belasting te heffen op de inkomsten uit deze bronnen en daarmee de staat te financieren, in plaats van belasting op arbeid te heffen. Het standaard voorbeeld is het belasten van vastgoed in een geürbaniseerde omgeving, die waarde ontleent aan de hand van zijn locatie. Deze belasting zou worden gebaseerd op de grondwaarde, de waarde van het vastgoed zelf en niet op de inkomsten uit het vastgoed. Op die manier heeft het geen verstorende werking op de markt en kunnen de kosten niet door de eigenaar afgewenteld worden op de consument.

Bijvoorbeeld: als iemand een appartementencomplex bezit, en de belasting die hij betaalt is gebaseerd op de inkomsten uit huur, kan hij die kosten afwentelen op zijn huurders door de huur te verhogen. Dat heeft een prijs duwend effect op de algemene huurmarkt. Als de belasting echter gebaseerd is op de waarde van het appartementencomplex, kan men dit niet doorrekenen naar de huurders. Hetzelfde geldt met belasting van mijnen. In plaats van de belasting te heffen op winst uit de verkoop van het ijzer uit de mijn, wat de marktprijs van ijzer raakt, heft men belasting op de waarde van de mijn zelf, ofwel de concessie rechten. Zodoende kan de mijnmagnaat de kosten niet afwikkelen op de consument door simpelweg de prijs van ijzer te verhogen. Ook is het een morele stelling: geen enkel individu zou exclusief als enige moeten kunnen profiteren van land, want het land behoort eigenlijk iedereen toe. Hij kan een redelijke compensatie verwachten uit de door hem bezetten grond, maar hoort ook aan de gemeenschap bij te dragen want als landeigenaar draagt hij een grotere verantwoordelijkheid en haalt hij meer profijt uit het land. Henry George zou stellen dat de landeigenaar eigenlijk een hoeder is van een stuk grond, niet daadwerkelijk de eigenaar, want dat is de bevolking als collectief. Ook omdat de eigenaar van het vastgoed waarde ontleend uit het recht anderen buiten te sluiten, oftewel hij bezit een feitelijk monopolie op dat stuk vastgoed.

De waarde van vastgoed wordt ook bepaald door sociale omstandigheden. Huisprijzen stijgen bijvoorbeeld grotendeels doordat zij op een gewilde locatie staan, die gewild is door het niveau van omwonende, de lokale voorzieningen en het soort en hoeveelheid omliggende commerciële activiteit. Het verbeteren van omstandigheden waardoor vastgoedprijzen stijgen, wordt vaak gefinancierd met belastinggeld, wat ten goede komt van landeigenaren. Denk aan wegen, parken, uitbreiden van het elektriciteitsnet en dergelijke. Gezien zij buitengewoon veel profijt hebben van deze overheidsinvesteringen, is het juist dat zij er aan bijdragen. Henry George was echter niet voor het nationaliseren van grond, want staatscontrole is altijd inefficiënt en neemt incentief weg. Dus het blijft in privaat “bezit” (curatele) maar de eigenaar draagt dan ook de verantwoordelijkheid om de Staat te financieren.

Door geen belasting te heffen op arbeid, heeft ieder profijt van de volle waarde van zijn eigen arbeid en kan men het algemene belang financieren door inkomsten uit grondwaardebelasting. Dat er een algemeen maatschappelijk belang is en dat een land de grond is van een Volk en collectief in haar bezit is, ontkent Henry George niet, hij was geen libertair. Dus moet men dingen als infrastructuur, defensie en justitie op een of andere manier onderhouden. Historisch werd dit vaak gedaan door het letterlijk bijdragen van arbeid (bijvoorbeeld het Franse Corvée systeem uit de middeleeuwen) wat later geabstraheerd werd naar inkomstenbelasting, maar Henry George pleit dat men het algemene belang beter kan financieren met inkomsten uit de gemeengronden. Dit is ook een maatregel tegen woeker. Men dient geen onevenredige inkomsten uit grond te verkrijgen zonder er arbeid in te investeren. Vastgoed is namelijk een passieve bron van inkomsten.

Het is een algemeen geaccepteerde notie in Economie dat een grondwaardebelasting (land value tax, LVT, in het Engels) geen economische inefficiëntie met zich meebrengt zoals het verstoren van prijzen en aanbod. Het is een progressieve belasting die daarom vooral door grootkapitaal betaald wordt (grootgrondbezitters, woningcorporaties, grote bedrijven enz.). Dit is omdat de hoeveelheid belasting toeneemt evenredig aan de waarde van de grond. Een gezin met een 3 slaapkamer woning betaalt dus veel minder dan een oliemaatschappij met 400 boorplatformen en tientallen raffinaderijen, percentagewijs. Het is dan ook onmogelijk om onder deze belasting uit te komen, in tegenstelling tot winstbelasting, iets dat we tegenwoordig vaak zien in het moderne bedrijfsleven, dat via constructies onder haar belastingverplichtingen uitkomt. Bijvoorbeeld door het te laten lijken alsof er geen winst geboekt is, door via dochterondernemingen kosten door te sluizen. Dit kan niet met een LVT systeem, omdat het gebaseerd is op fysiek bezit. Men kan moeilijk een olieplatform verborgen houden. Ondergewaardeerd laten taxeren misschien, maar corruptie zal altijd blijven bestaan en het omlaag bijstelen van de waarde van de assets van een bedrijf is meestal ongunstig voor het bedrijf.

Kosten kunnen dus niet doorgerekend worden naar prijzen en dus consumenten, men kan niet via belastingconstructies belastingontduiken en het wordt haast exclusief gedragen door het grootkapitaal. Georgisme stelt dan ook dat haar LVT voorstel een oplossing is tegen economische ongelijkheid, omdat voor de verandering megacorporaties hun sociale verplichtingen niet kunnen doorrekenen aan de consument, nog kunnen ontduiken. Georgisme stelt dat het LVT systeem leegstand tegengaat, want de eigenaar moet hoe dan ook betalen voor het bezit en is dus gemotiveerd om een nut voor zijn vastgoed te vinden. Dit reduceert ook vastgoed speculatie, want vastgoed houden hopende dat de prijs zal stijgen is minder rendabel. Zo voorkomt men ook het soort bubbels die we in 2009 zagen.

Aangerade literatuur:

-“Progress and Poverty”, Henry George

-“Wealth of Nations”, Adam Smith

Deze drie systemen wilde ik aan de lezer introduceren, in de hoop hem bewust te maken dat er werkbare, realistische alternatieven zijn op neoliberalisme. De houding van zowat iedereen aan de rechterzijde van de politiek over economische verandering tegenwoordig, lijkt te berusten op een diepe apathie. Bijna alle moderne instituten, de kerken, de vakbonden, de meeste denktanks, accepteren het feit dat neoliberalisme de bestaande orde is geworden en lijken te denken dat dit onontkoombaar is, of deel van een soort natuurlijke orde. In die zin heeft Fukuyama zijn gelijk gekregen. Geen enkele westerse ideologie heeft nog de fut om zich tegen neoliberalisme te verzetten, dus wint het automatisch. communisme versloeg fascisme en pleegde vervolgens zelfmoord, Conservatisme is bejaard en leid aan dementie en dus bleef liberalisme als een soort default over. Islamisme ziet daar echter niet veel in en heeft duidelijk de wilskracht om liberalisme uit te dagen. En Islam houdt ook niet van woeker. We mogen hopen dat er een alternatief tussen liberalisme en Islam opstaat.

Wat ook mee zal spelen is dat neoliberalisme iedereen met enige macht in het Westen heeft omgekocht door zeker te stellen dat zij een belang hebben in het handhaven van de huidige orde. En degenen die zich niet om lieten kopen, hebben de neoliberalen verketterd als gekken, complotdenkers, racisten en noem het rijtje maar op. Om dat te bereiken hebben ze een hulpende hand gevonden in links, die maar wat graag de “reactionairen” uit de maatschappij verstoten door hun controle over culturele instituties in te zetten. Zo heeft neoliberalisme het ooit zo revolutionaire links tot een schoothondje gemaakt. Want hoort u ze ooit nog over economische ongelijkheid? Ze stemmen allemaal mee met de VVD en houden zich meer bezig met geestesstoornissen zoals transgenderisme en hoe erg zwarte piet wel niet is. We hoeven niet op hen te rekenen om iets aan dit economisch parasitaire systeem te doen, ze zijn teveel met fictieve problemen bezig. Francis Parker Yockeys hoop op een Red-Brown Alliance zat er duidelijk naast.

Er zijn nog veel meer alternatieve economische modellen naast deze 3, ook aan de marxistische zijde van het politiek spectrum, maar naast dat die in de regel vervallen zijn tot de belangenpartijen van allochtonen en geesteszieken, schrijf ik die af als onrealistisch en utopisch omdat ze geen rekening houden met menselijke natuur.

Dit stuk is heel basaal en slechts een introductie van de genoemde modellen, in werkelijkheid zijn deze modellen een stuk gecompliceerder, met hele eigen theorieën over allocatie, prijsniveaus, efficiëntie en hebben hun eigen morele aannames. Economie is een heel stuk gecompliceerder dan deze simpele uitleg. Economie is een poging om menselijk gedrag en consumptie op massaschaal te analyseren, en dat is niet eenvoudig. Wij zullen de komende tijd een serie over economie presenteren, vanuit het oogpunt van reactionaire en traditionalistische kritiek van het huidige neoliberale systeem. Wij zijn het onder elkaar geenszins eens wát de oplossing is of wat het ideale model is, maar wij zijn wel verenigd in waar wij kritisch over zijn in de huidige economie.

-Éordred

2 COMMENTS

  1. “De meeste reactionair-nationalistische economische ideologieën berusten op een kritiek van woeker en behandelen de controle over arbeid en land. Overigens is communisme ook kritisch op woeker, maar bij Erkenbrand zijn we bepaald geen fans van communisme, ondanks dat Marx wel goede kritiek heeft op kapitalisme (bijvoorbeeld dat kapitaal sneller waarde accumuleert dan arbeid in een liberaal systeem).”

    Marx zijn belangrijkste verwezenlijking was dat zijn wetenschappelijke theorie de aard van de historische kapitalistische ontwikkeling bloot wist te leggen. Hij omschreef hoe kapitalisme verschillende stadia door maakte en zo de (politieke) wereld om zich heen schepte. Daaruit trok hij de conclusie dat op zeker moment de tegenstellingen binnen het kapitalisme dusdanig groot zouden worden, dat deze onhoudbaar zouden zijn, met als resultaat dat het kapitalisme zou klappen ten gunste van de communistische maatschappij.

    Nu ben ik het met zo’n fatalistische visie niet geheel eens, maar toch onderscheid hij zich met dat besef van de reactionaire socialisten die hier behandeld worden. Het probleem met het reactionaire socialisme is dat het erop gericht is om de tijd in letterlijke zin van het woord terug te draaien. Iets wat onder de huidige verhoudingen simpelweg onmogelijk zou zijn.

    Zo kan het gildesysteem niet los gezien worden van de klassenverhoudingen in die specifieke tijdsgeest. Met de verdere ontwikkeling van het kapitalisme doorloopt het verschillende nieuwe stadia, wat uiteindelijk uitmond in het hedendaagse globalistische model, waarbinnen de natiestaat als politieke organisatie van de burgerij plaats maakt voor supranationale unies. Dit alles werd door de Marxisten voorzien:

    “Onze tijd, de tijd van de bourgeoisie, heeft als karakteristiek dat hij de klassentegenstellingen vereenvoudigd heeft. De hele maatschappij splits zich meer en meer in twee grote vijandige kampen, in twee grote, lijnrecht tegenover elkaar staande klassen: bourgeoisie en proletariaat.

    Uit de lijfeigenen van de middeleeuwen zijn de paalburgers van de eerste steden voortgekomen; uit deze paalburgerij ontwikkelden zich de eerste elementen van de bourgeoisie. De bestaande feodale of op het gildenwezen gebaseerde bedrijfswijze van de industrie was niet meer toereikend voor de met de nieuwe markten groeiende behoefte. De manufactuur trad in haar plaats. De gildenmeesters werden verdrongen door de industriële middenstand; de arbeidsdeling tussen de verschillende corporaties maakte plaats voor de arbeidsdeling in de afzonderlijke werkplaats zelf.

    Maar voortdurend groeiden de markten, voortdurend steeg de behoefte. Ook de manufactuur was niet meer toereikend. Toen revolutioneerden de stoom en de machinerie de industriële productie, de plaats van de manufactuur werd door de moderne grootindustrie, de plaats van de industriële middenstand door de industriële miljonairs, de aanvoerders van gehele industriële legers, de moderne bourgeois ingenomen.

    De grootindustrie heeft de wereldmarkt in het leven geroepen, die door de ontdekking van Amerika werd voorbereid. De wereldmarkt heeft aan de handel, de scheepvaart, het verkeer tussen de landen een onmetelijke ontwikkeling gegeven. Deze werkte weer terug op de uitbreiding van de industrie en naarmate industrie, handel, scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, ontwikkelde zich in dezelfde mate de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij alle uit de middeleeuwen overgeleverde klassen op de achtergrond.

    Wij zien dus hoe de moderne bourgeoisie zelf het product is van een lange ontwikkelingsgang, van een reeks van omwentelingen in de wijzen van voortbrenging en verkeer.” – Communistisch Manifest

    De situatie waar we ons nu in bevinden is dus het product van enkele eeuwen kapitalistische ontwikkeling. De kapitalistische ontwikkeling heeft de maatschappijvorm gedicteerd en dit is de uitkomst daarvan. Nostalgie naar een lang verdwenen tijdperk gaat ons niet helpen.

    De reactionaire socialisten bepleitten een terugkeer naar klassenverhoudingen waar feitelijk sinds de Middeleeuwen geen sprake meer van is. Zij willen een terugkeer naar de oude eigendomsverhoudingen en de oude maatschappij. De denkfout die zij daarbij maken is dat de huidige maatschappij, dit stadium van het kapitalisme, juist is voortgekomen uit die oude eigendomsverhoudingen en die oude maatschappij.

    Het burgerlijke nationalisme ontstond met de opkomst van de republiek en de centralistische monarchie; daarmee werd de burgerlijke natiestaat geboren als de politieke organisatie van een relatief nieuwe klasse: de burgerij. Echter met de opkomst van het industrieel kapitalisme en later het monopoliekapitalisme zou deze eerst nationaal georganiseerde burgerlijke klasse zichzelf meer internationaal gaan organiseren. Globalisme is dus het product van exact die ontwikkeling.

    Tenzij de reactionair socialisten dus een tijdmachine tot hun beschikking hebben, moet je jezelf afvragen hoe ze een terugkeer naar de “goede oude tijd” willen organiseren? Van ‘nationaal’ kapitaal is immers allang geen sprake meer in een geglobaliseerde wereld en ‘nationale staten’ kunnen op het gebied van geld en macht echt niet meer met supranationale monopolies concurreren. Dat stelt nationalistische socialisten vandaag de dag dus voor geheel nieuwe uitdagingen.

  2. Uitstekend leesbaar stuk. Socialisme en liberalisme zijn beiden dwaalleren, voortgekomen uit de ideeën van de rampzalige Franse Revolutie waar we meer dan 200 jaar na dato nog steeds de schadelijke gevolgen van ondervinden.
    Combineer die twee en je hebt een uitermate giftige, maatschappij-verwoestende combinatie.

    Kanttekening : jammer dat in dit prima geschreven stuk de nodige taalfouten zitten.
    “Nog” in plaats van “noch” en “vergelijkt” in plaats van “vergeleken”

Comments are closed.