Afscheidstoespraak voor een collega

Hans, 64 jaar oud, mocht van onze teamleider met vervroegd pensioen. Als dank voor zijn jaren van trouwe inzet kreeg hij een afscheidsreceptie aangeboden. De teamleider vroeg mij om de afscheidsspeech te houden. “Voel je vrij”, zei hij nog “die Hans kan wel tegen een stootje”. 

Daar gaan we dan. 

Dames en heren,

Wij nemen vandaag afscheid van onze gewaardeerde collega Hans.

Hans werd geboren in 1955. We grapten wel eens: zeg Hans, ben je nou van voor of na de oorlog? Dan antwoordde Hans resoluut: Ik ben van ná de oorlog. Dan grapten wij weer: oké, dus je bent dus van ná de Eerste Wereldoorlog.

Hans groeide op in armoede, want Nederland leefde nog lang na de Tweede Wereldoorlog op rantsoen. Maar dankzij het gezwoeg van het volk, dankzij de blanke innovatiekracht, werd Nederland één van de welvarendste landen van de wereld. Nee, nee, daar keek Hans heel anders tegen aan, onze welvaart was volledig terug te voeren op het leegroven van Afrika en uitbuiting van de jungle-mens. Wij zijn zo rijk, omdat zij zo arm zijn, zei Hans altijd stellig. Ik vroeg dan altijd, heb je daar eigenlijk argumenten voor? Gaat het in Afrika niet nog het beste met de landen met de langste koloniale geschiedenis? Dan keek Hans me aan alsof hij water zag branden en bleef het stil.
Hans beleefde zijn jeugd in de jaren ’60 en begin jaren ’70. God, wat had Hans toch een geweldige tijd! God is dan weer niet het goede woord, want eigenlijk was alles dat God verboden had juist goed volgens Hans. Tijdens zijn studie midden jaren ’70 was Hans niet van de waterpijp weg te slaan. Hippie Hans zag een nieuwe wereld voor zich: een wereld verlost van bekrompen leefregels, zonder natiestaten en zelfs zonder particulier bezit. Een wereld van volledige rassenvermenging. Een wereld waarin het normaal zou worden dat homofielen met elkaar konden trouwen en kinderen mochten adopteren. Een wereld waar vrouwen zich niet hoefden te schamen voor losbandigheid, ook als dat eindigde in een abortus. Een wereld waar zelfs begrip zou bestaan voor pedofielen. Want als het uit liefde gebeurt, is het toch altijd goed? Het enige dat de nieuwe wereld in de weg stond was de heteroseksuele blanke man. Dat was Hans natuurlijk zelf ook, maar hij zou alles anders doen. Dat kon iedereen toch aan hem zien?

Dames en heren, ik leerde collega Hans veertien jaar geleden kennen als collega. Hij was net genezen verklaard van een afschuwelijke ziekte, maar bleef somber. Eerst dacht ik dat het nog kwam door zijn gezondheidsproblemen, maar toen ik hem beter leerde kennen begreep ik dat het aan wat anders lag. Het ging weer goed met Hans, maar niet meer met zijn wereldbeeld. Wat Hans zag was dat er bij het volk flinke weerstand was ontstaan tegen de massaimmigratie. Dat er Nederlanders waren die zich verzetten tegen het stijgende percentage moslims. Dat er Nederlanders waren die hun zorgen uitten over de houdbaarheid van de verzorgingsstaat door de massale toestroom van immigranten met een IQ onder de 80. Dat er Nederlanders waren die niet zomaar een nationale traditie zoals Sinterklaas wilden aanpassen naar de wensen van zwarte zeurpieten en meeliftende blanke cultuurmarxisten. Dat er gewoon mensen waren die geen trek hadden in dat globalistische instituut genaamd de EU. Het stak Hans dat zijn jaren ’60 ideologie niet door iedereen werd omarmd. Als hij weer eens begon aan een betoog tijdens de lunch, kreeg hij te horen dat hij een cultuurmarxist was. Soms probeerde hij zijn hippie idealen uit op een jeugdige collega, maar die leken wel doof. Ik had met Hans te doen. Die stakker hunkerde naar bevestiging, maar had niet te bieden dan een lege ideologie. De ontgoocheling was in zijn ogen te lezen.

Thuis zocht Hans geruststelling bij de NRC, zijn “lijfblad” zoals hij zei. Artikelen met termen als ‘’populisme’’ en ‘’polarisering’’ kwamen hem al tegemoet als hij de krant opensloeg. Er stond in dat de mensen die zich tegen immigratie keerden zich lieten leiden door een irrationele angst. Zij hadden last van ‘’xenofobie’’ of ‘’islamofobie’’ en ‘’onderbuikgevoelens’’. De krant legde uit dat goede Nederlanders snapten dat we altijd al een open natie waren geweest. Dat ons land was opgebouwd door niet-blanken. Er waren wel problemen met de nieuwkomers, maar die waren van tijdelijke aard. Hun mentaliteit zou vanzelf wel zal veranderen, zodat ook de criminaliteitscijfers zouden dalen. De veroveringstocht van de islam zou tot een natuurlijk einde komen. Hier, achter de dijk, in de polder. Hans was weer gerustgesteld, het voelde weer even alsof hij de waterpijp had gerookt. 
Toch was Hans niet helemaal gerust. Hoe irrationeel die angst ook was, het greep wel om zich heen. Bijna al zijn collega’s leken wel besmet. Maar ook daar had de NRC oog voor. We moeten waakzaam zijn, zei zijn lijfblad. Voor je weet ontstaan weer jaren ’30 toestanden waarbij mensen in veewagens worden afgevoerd. Goede Nederlanders als Hans moesten hun idealen blijven verkondigen. 

Ondertussen geloofde Hans al jaren niet meer in zijn werk. Zijn dag was goed als hij als laatste binnenkwam op kantoor, maar toch een plekje bij het raam wist te bemachtigen. Hoe klein dat ook lijkt, zijn grootse idealen bleef hij trouw verdedigen. Precies zoals de krant hem verteld had. 

Beste Hans, geniet maar van je pensioen, je huis en je mooie auto, totdat op de dag dat het leven je verlaat. Met jou zal de ideologie verdwijnen die zich voordeed als menselijk, maar in werkelijkheid alles vernietigt dat goed is. Wat zal achterblijven is een postmodern, gedegenereerd, geglobaliseerd, geïslamiseerd, gemulatiseerd land. De opbouw begint opnieuw.