11 juli 1302: De Guldensporenslag

Guldensporenslag 02

Vandaag vieren de Vlamingen hun nationale feestdag, de dag waarop in 1302 een Vlaamse leger van grotendeels ambachtslieden en boeren een binnenvallend Frans ridderleger compleet in de pan hakte. Het was een mijlpaal in het streven van de Nederlanden naar bestuurlijke zelfstandigheid, en in de ontwikkeling van een typisch Nederlands burgerlijk zelfbewustzijn.

De slag staat bekend als de Guldensporenslag, omdat de Vlamingen op het slagveld zo’n vijfhonderd gouden riddersporen verzamelden. Deze zijn later als dankbetuiging opgehangen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk.

De slag was een hoogtepunt in de strijd van Vlaanderen tegen de expansiepolitiek van Filips de Schone, de koning van Frankrijk. Deze was de leenheer van de graaf van Vlaanderen. De koning probeerde de relatieve autonomie van het graafschap en de steden te beknotten, en hief zeer zware belastingen. De graaf van Vlaanderen verzette zich hiertegen, met name vanaf 1278 onder Gwijde van Dampierre. Daarbij speelde ook dat Vlaanderen economisch sterk verbonden was met Engeland doordat het van daar de wol betrok voor zijn buitengewoon rijke kledingindustrie.

Toen Frankrijk en Engeland in oorlog kwamen, koos de graaf de kant van Engeland en zegde in 1297 de band met Frankrijk op. Maar ongeveer twee jaar daarna sloten de Engelsen met de Fransen een verbond (alweer het perfide Albion) en kwam Vlaanderen alleen te staan. Vlaanderen werd door troepen van de koning Filips IV bezet, en de graaf gaf zich met zijn zonen over. De Franse koning nam Vlaanderen tot zijn persoonlijk bezit.

Op 17 mei 1302 trok de Franse edelman Jacques de Châtillon met een troepenmacht Brugge binnen. Hij was door Filips IV tot gouverneur van Vlaanderen aangesteld. In reactie op zijn komst verliet een groot aantal Bruggelingen de stad, onder leiding van Pieter De Coninck en Jan Breydel. Zij voerden in de nacht van 18 mei een verrassingsaanval uit. In de stad verplichten ze de soldaten ‘scilt ende vrient’ te zeggen. Fransen die de kreet probeerden na te zeggen struikelden over het eerste woord dat met Brugs dialect uitgesproken moest worden. De opstandelingen wisten zo wie ze moesten doden. Gouverneur Jacques de Châtillon wist ternauwernood te ontkomen.

Na deze zogenaamde Brugse Metten startten de Vlamingen een bevrijdingsoffensief. Veel van de troepen kwamen in juli samen in en bij Kortrijk. De Franse koning had inmiddels een ridderleger naar Vlaanderen gestuurd. Dit leger, geleid door Robert II van Artesië, sloeg op 8 juli 1302 kamp op aan de Pottelberg bij Kortrijk. Twee dagen lang bestormden de Fransen hierna de stad. Tevergeefs. Duidelijk werd toen dat een treffen in het open veld onvermijdelijk was.

Op 11 juli rukte het Franse leger daarom naar het gebied ten oosten van de stad Kortrijk, waar zich het Vlaamse kamp bevond. Het Vlaamse leger, dat bestond uit ongeveer 10.000 man, stelde zich op in een halve maan. In het midden bevonden zich bewoners van het Brugse Vrije, rechts Bruggelingen onder leiding van Willem van Gulik de Jongere en links inwoners van het oostelijk deel van Vlaanderen onder leiding van Gwijde van Namen. Daarnaast was er een reservekorps van de Zeeuwse edelman Jan III van Renesse, aanvoerder van de Vlaamse troepen.

In de middag begonnen de boogschutters met hun ‘inleidende beschietingen’. Voorafgegaan door lichte infanterie rukte hierna het ongeveer tweeduizend man sterke Franse ridderleger op. Dit in drie groepen. De linkergroep viel als eerst aan. Deze aanval werd opgevangen door een muur van in de grond gestoken pieken en Vlamingen die toesloegen met hun goedendag, een typisch Vlaams wapen bestaande uit een dikke knots met een stalen punt. Het wapen werd vooral bekend door de Guldensporenslag. Tijdens deze slag was de goedendag dan ook zeer succesvol.

De Vlamingen wisten de aanval van de linkerflank succesvol af te slaan en ook de aanval van de rechtervleugel werd door de Vlamingen gepareerd. Hierna rukte het centrum van het Franse leger op. De Fransen leken hier aanvankelijk door te breken, maar vooral door tussenkomst van Jan III van Renesse werd ook deze aanval afgeslagen. De Vlamingen namen geen gevangenen. Vrijwel alle ridders kwamen om, ook Robert II van Artesië.

De Guldensporenslag was een belangrijke mijlpaal in de opkomst van de burgerij ten koste van de positie van de adel. De buitengewoon rijke Vlaamse steden waren door hun welvaart steeds meer in staat hun wil door te zetten tegenover hun feodale heersers. Deze militante burgers zouden later ook de kern vormen van de opstand tegen de tirannieke koning van Spanje, in de Tachtigjarige Oorlog. Zij belichaamden de burgerlijke geest van de Nederlanders in de beste zin van het woord.

20160711 11 juli 1302 - De Guldensporenslag 02 Conscience KB
Hendrik Conscience

Voor de zuidelijke Nederlanden werd de Guldensporenslag een ikoon in de strijd tegen de onderdrukking van de Nederlandstaligen in België. De aanstoot hiertoe werd gegeven met de publicatie van het beroemde boek ‘De Leeuw van Vlaanderen’ van Hendrik Conscience in 1838, dat de roemrijke daden van de Vlamingen in de slag beschrijft. Conscience riep in het voorwoord van zijn boek zijn lezers op zich hun voorouders ten voorbeeld te stellen, op te komen voor hun eigenheid, en de oude grootheid van Vlaanderen terug op te bouwen. Na het hoopgevende en heldhaftige verhaal van de oude Vlamingen en hun graven, richtte hij opnieuw het woord tot de lezer:

‘Gy Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg, by de roemryke daden welke hetzelve bevat, wat Vlaenderen eertyds was – wat het nu is – en nog meer wat het worden zal indien gy de heilige voorbeelden uwer Vaderen vergeet!’.

Een woord dat ook wij zeker ter harte mogen nemen.
 
Alle afbeeldingen zijn afkomstig van wikimedia.org